Home Topics Cultuur Tutti Fratelli – “Hier is het gewoon oke om te zijn wie je bent”

Tutti Fratelli – “Hier is het gewoon oke om te zijn wie je bent”

0
Tutti Fratelli - “Hier is het gewoon oke om te zijn wie je bent”

In juni dit jaar ging Mensen zijn Media in het hartje van Antwerpen op bezoek bij Tutti Fratelli, het Antwerpse theatergezelschap voor mensen die minder kansen kregen in hun leven. We gingen er op zoek naar de ziel van deze sociaal-artistieke werkplaats en naar wat het betekent om een doel te vinden in een maatschappij die je niet altijd ziet staan omdat je op welke manier dan ook niet binnen de geijkte lijntjes kleurt. De bezielster van het project is Reinhilde Decleir, je welbekend van bijvoorbeeld Van vlees en bloed.

Ook bij Tutti Fratelli laten de gevolgen van de coronacrisis zich voelen. De voorbereidingen voor De Hoop, de nieuwe productie, lagen een hele tijd stil. De voorstellingen zijn uitgesteld, voorlopig naar januari. Op de repetitie die we bijwonen in het prachtige gebouw van Tutti Fratelli, vlak bij het Mechelseplein, zijn alleen de dames van het gezelschap aanwezig. Alle spelers verzamelen in de ruimte is op dat moment immers niet mogelijk volgens de dan geldende maatregelen. De dames, aangevoerd door Reinhilde, zitten in een ruime kring, ver genoeg uit elkaar, met mondmasker op.

(lees verder onder de foto’s)

Meteen valt me op dat de repetities allesbehalve vrijblijvend zijn. Zowel technisch als inhoudelijk worden de speelsters voortdurend uitgedaagd. De repetitie begint met een lezing van een fragment uit het nieuwe stuk. Regelmatig volgt een interceptie van Reinhilde. Ze roept de speelsters waar nodig kordaat ter orde en laat hen stilstaan, niet alleen bij het pure Antwerpse accent of de juiste zegging, maar ook over wat ze nu eigenlijk precies zeggen en over waarom die woorden daar gesproken worden.

Wanneer de articulatie en het stemvolume van de fratelli te wensen overlaat, gooit Reinhilde het over een andere boeg. Ze start met ademhalingstraining, gevolgd door articulatieoefeningen. Ik ben diep onder de indruk van het niveau van de repetities, net als van het engelengeduld en het doorzettingsvermogen, zowel van Reinhilde als van de fratelli. Na afloop schuif ik (op veilige afstand) aan de toog, samen met Reinhilde en Ann De Pooter, een nieuwe aanwinst voor het gezelschap.

Reinhilde, Tutti Fratelli bestaat sinds 2007, maar het ontstaan gaat nog verder terug in de tijd?

Reinhilde – Heel wat jaren geleden werd ik gecontacteerd door APGA, het Antwerps Platform Generatiearmen (het huidige STA-AN, n.v.d.r.). Zij vroegen of ik met een aantal generatiearmen een project wilde starten in de Bourla. Ik heb toen een hele tijd geaarzeld, ik twijfelde over de haalbaarheid van zo’n project met mensen die niks hadden met theater, ik wist niet of de vraag van henzelf kwam of van de begeleiders, enzovoort. Zij zijn aan mijn mouw blijven trekken en op de duur heb ik toch ‘ja’ gezegd. Zo is de bal aan het rollen gegaan.

Van bij het begin heb ik gezegd: “Als jullie met mij willen werken, dan gaan we het aanpakken zoals een professioneel gezelschap, want ik kan dat niet anders.” Ik heb toen ook een aantal voorwaarden gesteld, zoals geen alcohol voor de repetities. Dat is niet helemaal gelukt – een van de spelers was een zwaar alcoholicus, maar hij speelde toch zo goed. Ik heb mooie herinneringen aan die periode. Het idee was nieuw, een echt experiment, zowel voor de spelers als voor mij. We werkten toen rond een reeks verhalen van onze spelers zelf. Onverwacht werd het, in al zijn eenvoud, een onwaarschijnlijk succes. De zaal zat helemaal vol. Er speelde onder andere een Marokkaans meisje mee en er zaten een heleboel mensen uit haar gemeenschap in de zaal. Er waren ook een hele reeks seingevers die hun fluohesjes nog aan hadden (lacht) … De hele zaal liep vol met allerlei soorten mensen en er hing een heel bijzondere, levendige sfeer. Een beetje Italiaans, een soort van commedia dell’arte en dat vroeg natuurlijk om meer. Josse De Pauw, toen net directeur geworden bij Het Toneelhuis, wilde nauwer samenwerken en stelde voor om The Best of Shakespeare te spelen. Ik vond dat eerst wat vreemd, maar ik ontdekte al snel dat dat repertoire goed werkte voor onze spelers. We kregen hen sneller aan het spelen dan toen we met hun eigen verhalen werkten. Het resultaat was prachtig.

(lees verder onder de foto)

Vanaf die basis ontstond Tutti Fratelli uiteindelijk?

Reinhilde – Na een wissel bij de directie van Het Toneelhuis viel die samenwerking stil en ik had in m’n dagboek al geschreven dat het einde van het project nabij was, maar dat was buiten onze spelers gerekend. Zij begonnen me te bellen met de vraag naar meer. Ik heb dat toen even tegengehouden omdat we geen ruimte en geen middelen hadden, maar zij zijn blijven trekken aan het project. Uiteindelijk hebben we toch een aantal andere mensen kunnen engageren en zo heb ik samen met Ilse Moors, die ik kende via APGA, Tutti Fratelli uit het niets uit de grond gestampt. Ilse kende veel sociale organisaties en zo vonden we heel wat steun. We kregen bijvoorbeeld hier eerst een kleine ruimte in het gebouw dat toen nog eigendom was van het OCMW. Ik wilde hier heel graag blijven, in het midden van de stad, in de chique buurt zelfs. Dat vond ik belangrijk voor ons, dat de fratelli hier ook geaccepteerd zouden worden. Uiteindelijk hebben we het hele gebouw gekregen. We hebben hier twee repetitieruimtes, een kleine theaterzaal, en Hannah Chebaro, die onze kostuums maakt, heeft hierboven een prachtig atelier. Onze hele omkadering is trouwens professioneel: technici, muzikanten, productie, administratie, …

Na al die praktische regelingen moesten we natuurlijk ook nog wel iets dóen met onze spelers. Ik wilde echt iets maken waarover gesproken zou worden in Antwerpen en toen vond ik in m’n lade nog de Driestuiversopera van Bertolt Brecht, waarmee ik al heel lang iets wilde doen, samen met mensen van de straat. Dat is uiteindelijk gelukt en het stuk is in première gegaan in de Bourla. Daarna ben ik gaan vragen of we ook in de Roma konden spelen, die toen pas heropend was, omdat die zaal en de buurt perfect passen bij de achtergrond van veel van onze spelers. Sindsdien zijn we alleen maar gegroeid. Onze voorstellingen zijn altijd uitverkocht, we horen nu echt bij Antwerpen.

Een theatergezelschap met een hart!

Reinhilde – Ik sta er zelf wat van versteld dat we ondertussen nog altijd bezig zijn, dat was voor mij in ’t begin alleszins niet de bedoeling. Ik ben een theatervrouw en geen Moeder Teresa … al was dat eigenlijk een slechte madame, heb ik gehoord (lacht). Toch weet ik dat mensen dankzij Tutti Fratelli weer openbloeien, dat ze ambitie vinden en iets willen ondernemen. Als we hen daarbij kunnen helpen: graag. Ik doe ook andere dingen met onze fratelli, ik ben al met hen naar de dokter gegaan, naar advocaten, … We doen dus heel concreet dingen voor hen en daarbij voel ik me natuurlijk ook wel goed, maar ultiem blijft mijn doel altijd een goede theatervoorstelling.

Ik wist wel dat er in België ook nog armoede was, maar zo plots oog in oog staan met mensen in armoede, waarbij ook mensen met psychische problemen, was toch andere koek. Wat ikzelf het meest aangrijpende vond, was hoe kansarmoede vaak ook geestelijke armoede met zich meebrengt, omdat die mensen de kans niet krijgen om zichzelf te ontwikkelen, om cultuur te zien. Zo jammer, want het zijn mensen zoals jij en ik, met dezelfde emoties en we wonen allemaal in dezelfde wereld. Er wordt ook vaak op hen neergekeken en dat vind ik ronduit verkeerd. Die veronderstellingen zoals “ze zijn lui, ze willen niet werken”, die kloppen niet, maar zij gaan zich daar op de duur wel naar gedragen. In het begin waren sommige fratelli zelfs redelijk vijandig tegenover mij, omdat ik in hun ogen uit een andere klasse kwam. Wat mij dan weer stoort, is dat ik bij hen regelmatig zelfmedelijden zie, en als er nu één ding is waarmee ik niet om kan … Ook het excuses zoeken om niet mee te moeten repeteren, daar word ik soms zenuwachtig van. Toch zijn veel van die dingen terug te brengen op hun situatie, op een gebrek aan zelfvertrouwen en dat begrijpen veel mensen niet. Iedereen draagt een rugzak mee. Aan de portefeuille van die mensen kan ik weinig doen, maar ik ga met hen babbelen en ik probeer iets aan de achterliggende situatie te doen.

Is het een fulltime job?

Reinhilde – Het is veel werk, ja. Af en toe moet ik er ook wel even tussenuit. Het kan misschien raar klinken, al weten onze fratelli wel dat ik het niet negatief bedoel, maar het kan me soms deugd doen om even ergens anders te zijn, bij mensen die meer mijn achtergrond hebben, bij mijn theatercollega’s. Soms heb ik het gevoel dat ik even naar de ‘normale’ wereld moet gaan, of andersom. Dan moet ik niet zo travakken, dan draag ik niet die grote verantwoordelijkheid. Dat heb ik nodig, het geeft me zuurstof. Ik heb natuurlijk wel chance dat ik uit een theaterfamilie kom en dat we goede contacten hebben met veel kunstenaars. Onze affiches worden bijvoorbeeld door schilders gemaakt en dat vind ik belangrijk voor onze fratelli, dat ze in contact komen met kunst van een hoog niveau en dat ze zelf een smaak ontwikkelen. We gaan bijvoorbeeld ook regelmatig samen naar tentoonstellingen.

(lees verder onder de foto)

Ik denk wel dat ik wat feller ben geworden door de jaren heen. Je leert wel tot waar je kan gaan en ik pik sneller op dingen in dan in het begin. In deze groep zitten heel veel nieuwe mensen, maar het is natuurlijk niet voor iedereen even makkelijk. Er zit bijvoorbeeld een analfabeet in onze groep en hoewel die ondertussen al relatief goed kan lezen, gaat het dan uiteraard wat trager. Met sommige fratelli gaat het echt moeizaam en met hen werk ik ook apart. Andere spelers worden wel eens ongeduldig als het niet lukt of, omgekeerd, als het te traag gaat. Het is echt een kwestie van rekening houden met iedereen.

Vanwaar de naam Tutti Fratelli?

Reinhilde – “Siamo tutti fratelli!” Ik was op zoek naar iets met solidariteit, broederschap, wapenbroeders, maar vond niet meteen iets naar m’n zin. Op een avond was ik aan het kijken naar Rocco e i suoi fratelli van Visconti. Daarin maken de broers op een gegeven moment ruzie en dan roept Rocco: “Siamo tutti fratelli!” (“we zijn allemaal broers”, n.v.d.r.). Toen wist ik: “ik heb het!” Toen mocht niemand me nog tegenspreken hoor (lacht).

Het volgende stuk dat jullie brengen is De Hoop?

Reinhilde- Klopt, Eric Vlaeminck is een schrijver en voormalig straathoekwerker. We hebben al een aantal voorstellingen met hem gemaakt. Hij was gek van Op hoop van zegen van Herman Heijermans en heeft het voor ons herwerkt en daarvoor ben ik heel dankbaar. Ik was er eerst terughoudend over, want het is een heel oud stuk dat de tekenen draagt van zijn tijd, maar toch is het verschrikkelijk actueel. Het draait onder andere om schipbreukelingen, bijvoorbeeld, maar ook de pest is een onderwerp – nu natuurlijk helemaal relevant. Het lijkt wel of sommige lijnen nu zijn geschreven. We zijn ook altijd op zoek naar stukken die we met muziek kunnen combineren, want die passen echt bij de fratelli, het is een van onze grootste krachten. Het is altijd zoeken en uitproberen, maar we willen van De hoop een muzikale vertelling maken, een muzikaal spel van de zee.

Ondertussen hebben we al twaalf voorstellingen gemaakt, dat kan tellen. Naast onze reguliere werking hebben we drie jaar geleden ook een jongerenwerking opgestart: Giovani Fratelli. Zij hebben al twee heel mooie producties gemaakt en zijn ondertussen met een spelersgroep van 20 jongeren van pakweg 16 jaar tot half de 20. Zowel van de grote groep, als van de jongerengroep, vertrekken er ook elk jaar fratelli met mooie verhalen. Zo is een van onze jongens, iemand met een autismespectrumstoornis, aangenomen aan het conservatorium. Een andere jongen komt van heel ver, maar heeft ondertussen werk gevonden, een droom die werkelijkheid werd voor hem. Van geen van deze jongens zou ik in het begin hebben gedacht dat ze het zo ver zouden schoppen en zo kan ik nog veel verhalen vertellen. Die evolutie komt doordat we elkaar hier allemaal leren kennen, door onze gesprekken en onderlinge aanmoedigingen.

Ann, hoe ben jij hier terechtgekomen?

Ann – Ik heb vorig jaar op de psychiatrie iemand leren kennen die hier ook al een hele tijd speelt en zij zei: “dat zou ook echt iets voor jou zijn”. Ik zat op dat moment niet op een geweldige plek in m’n leven en mijn idee was toen ook: “het zal wel niet lukken”, maar toch besloot ik om het te proberen. Ik stuurde een mailtje en kreeg een uitnodiging terug, heel spannend. Ik was nerveus, maar het gesprek was echt fijn en verliep heel ontspannen. Zo is het voor mij allemaal begonnen. Zo mooi om vanuit een kwetsbare situatie toch ergens deel van te kunnen uitmaken.

(lees verder onder de foto)

Is het een uitdaging om iets te maken met een heleboel heel verschillende mensen?

Ann – Zo heel verschillend zijn we volgens mij niet – we zijn toch ook deels gelijkgestemde zielen. Ik denk bijvoorbeeld niet dat je hier terecht komt als je niet van kunst houdt, of tenminste de wens hebt om iets creatiefs mee vorm te geven.

Wat hoop je hier te leren?

Ann – (glimlacht) Da’s een goede vraag. Wat ik nu wel al voel, is een groter gevoel van eigenwaarde, “ik kan toch nog wel iets”, terwijl ik een paar maanden geleden dat gevoel helemaal niet had. Doordat je een bepaalde rugzak hebt, groeit de idee dat je niks waard bent of dat andere mensen vinden dat je het niet meer waard bent, maar ik kom hier altijd buiten met een grote glimlach op m’n gezicht, met een goed gevoel. Het geeft een energie vanuit m’n buik. Ook het zingen, bijvoorbeeld: ik heb nooit een noot uit m’n keel gekregen, maar door het gewoon te dóen ga je er toch in geloven. Als ik durf te dromen: ik zou graag over een aantal maanden op het podium staan en ‘er’ staan, mijn bijdrage leveren, hoe klein ook, nog niet zozeer voor mezelf, maar wel voor de groep.

Denk je dat dat gevoel voor de meeste fratelli geldt?

Ann – In elk geval kunnen we hier allemaal onszelf zijn. Ik vergelijk het wel eens met de psychiatrie. In deze maatschappij wordt verwacht dat iedereen een tandje bijsteekt om erbij te passen en ik vraag me af of dat echt zo erg nodig is. Hier hoeft dat niet, iedereen heeft hier een verhaal en dat is oké. Er is heel veel herkenning. De ‘maatschappij’ komt me soms over als heel fake en hier, net als in de psychiatrie, is het gewoon oké om te zijn wie je bent. Heb je een slechte dag, dan zal je daarvoor niet veroordeeld worden.

Reinhilde – Die vergelijking valt me op, want ik krijg regelmatig uitnodigingen van psychiatrische afdelingen. Ze willen graag met me praten om te weten te komen hoe het allemaal bij Tutti Fratelli verloopt en hoe wij onze fratelli tot zo’n voorstelling krijgen. Ze schrikken dan toch van een aantal dingen, ik heb bijvoorbeeld eens gezegd dat wij mensen aanmoedigen om elkaar te omhelzen en voor hen was dat nieuw.

Ann – Veel heeft te maken met respect. Voor ik hier kwam, zag ik Reinhilde soms al eens fietsen in Antwerpen en dan vertelde ik dat ’s avonds vol enthousiasme tegen mijn vrienden. Ik herinner me dan ook de eerste keer dat ik hier kwam; ik vond het een enorm ontzagwekkend idee om haar te zien. Dat is nu natuurlijk minder, maar er heerst heel veel respect voor Reinhilde als theatervrouw en als persoon, maar we voelen dat ook omgekeerd. Het hele professionele team is geïnteresseerd in mij en in de andere fratelli en dat doet veel deugd. Dit project kan alleen maar goed gaan als de waardering van twee kanten komt en dat is hier absoluut het geval: een vergaand wederzijds respect.

Reinhilde – Ik noem het graag “gelijkwaardigheid”, want zonder gelijkwaardigheid lukt dit niet.

Jullie zijn dan ook Tutti Fratelli! We wensen jullie veel succes met De hoop en wij hopen zelf alvast dat de toekomst jullie nog veel moois mag brengen!

Joyce Verschueren

Foto’s: © Wilfried Deferme

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here