Pinokkio

0

‘Like Judas of old you lie and deceive,
a world-war can be won you want me to believe’
Bob Dylan

Hij bleef een vreemde man, de dichter. Namen met een P en een I, daar hield hij van, namen zoals Pino en Pinokkio. Misschien had het met zijn fascinatie voor het getal pi te maken. Of met ‘pipi doen’, wat moeders wel tegen hun kinderen zeggen als ze, niet wetende wat te doen, op het potje zitten. ‘Maar’, zou hij lachend zeggen, ‘pin me er vooral niet op vast hoor. Het is allemaal geen Wijsheid met een grote W hoor, het is maar een kwestie van taal.’ Toch was hij op zijn wandelingen door het dorp, wandelingen waarbij ook zijn geest, met de dingen die hij zag, op wandel ging, in de ban geraakt door een beeldje van Pinokkio. Of beter gezegd, het waren er twee, eentje liggend en eentje zittend. Ze stonden al geruime tijd in de etalage van een meubelmaker. De goede man maakte tafels en kasten op maat en was ook een begaafd restaurateur. Om de zaak wat op te vrolijken deed zijn vrouw in allerlei prullaria en op Tiffany gelijkende lampen. Zo waren er modelauto’s, zoals een oude deux-chevaux, met ski’s en koffers op het dak klaar voor de wintersport, maar ook kunststof paddenstoelen, feeën en engelen. En dus ook Pinokkio.

Pinokkio. Tweemaal. Een keer zittend met de ellebogen op de knieën en een keer liggend, op de buik, met de ellebogen op de grond. Tweemaal, polsen tegen elkaar, de handen opengevouwen, het hoofd ondersteunend. De veel te lange neus naar boven gericht. Het leek alsof het hoofd te zwaar was. Te zwaar van al het denken en staren, zoals ook het hoofd van de denker van Rodin. ‘Ach, arme kleine Pinokkio, waarvan droom je? Je bent uit het goede hout gesneden: van Pinus, uit pijnboom, uit pijnboomhout. Pinocchio. In je verhalen moet je door schade en schande alles zelf ontdekken. Ach, dat moeten wij allemaal hoor. En op die momenten dat we ineens … zomaar per ongeluk … denken heel wat te zijn, juist dan valt het ineens enorm tegen. Juist dan slaat de vertwijfeling toe. Juist dan komt het zware hoofd. Juist dan komt het denken en staren. Juist dan verliezen wij onze jeugd, onze frivoliteit. Juist dan.’

‘Ben je weer aan het somberen?’, vroeg zijn vrouw toen ze plotseling binnenviel en de regels van vertwijfeling nog net gehoord had. ‘Nee hoor’, riep hij enigszins verstoord, maar schijnbaar opgewekt, ‘ik vroeg me alleen af …’ Ze liet hem niet uitspreken. ‘Nee hoor, nee hoor? Ja hoor!, zul je bedoelen’, riep ze lachend, ‘laat mij maar even. Doe jij maar een muziekje en ga maar theezetten.’ En voor de dichter het wist, zat zij op zijn stoel, achter zijn schrijftafel.

‘Beste lezer, het is een lieve man hoor, maar wel een speciale. Altijd als ik bij hem kom, valt er wel wat nieuws te ontdekken. Een nieuw boek, nieuwe muziek, nieuwe dingetjes in zijn schalen met gevonden voorwerpen, zoals een dode salamander of in de tuin gevonden knikkers. Maar een nieuw jurkje voor een van zijn poppen kan ook hoor of een nieuw ‘juweeltje’, een nieuw kettinkje voor zijn Maria. Kortom, hij verzamelt van alles. Maar hij praat ook met alles en iedereen en niet alleen met mensen, dieren of planten. Nee echt met alles. Zoals nu met Pinokkio. Dat kleine beeldje dat er vorige week nog niet was en nu parmantig op de schouw zat, naast de Kerstman uit het vorige verhaal. Hij heeft me verteld dat ze beide uit hetzelfde ‘hout’ gesneden zijn. ‘Maar wel handbeschilderd’, had hij er zich verontschuldigend aan toegevoegd omdat hij eigenlijk niet voor het gebruik van plastic was. Maar alla, het kan ook zijn dat ik het niet juist gehoord heb en dat hij met het ‘juiste hout’ meer het karakter bedoelde. Want hij wist zeker dat Pinokkio een goed karakter had ondanks die neus die zoveel negatieve associaties opriep.

Hij had geroepen dat iedere politicus zo’n neus moest hebben. Zo’n neus die groeit bij onwaarheid, valse beloftes en ontkenning. ‘Er moet toch een medicijn zijn of een mogelijke genetische manipulatie’, zei hij dan, ‘die de neus even doet groeien om zo het virus van de leugen te bestrijden?’ Ja beste lezer, zoals ik al zei, het is een lieve man hoor, maar zo nu en dan, niet te volgen, niet te volgen. Mijn schatteke, mijn tuinmanneke.’

‘Ben je al wakker?’, vroeg ze hem. ‘Ja’, zei de dichter, ‘dat met die neus hé. Misschien moeten we dat toch maar niet doen. Ik heb vreselijk gedroomd over een wereld vol met lange neuzen, waarbij echt iedereen elkaar bij de neus nam, iedereen zijn neus voor de ander ophaalde en iedereen zijn neus in andermans zaakjes stak. Het was een achterdochtige, onbetrouwbare wereld, onvrij, onwaarachtig en zonder liefde.’ Hij bleef even stil. ‘En wat ik ook nog heb bedacht’, zei hij vervolgens op bijna plechtige toon, ‘is dat de waarheid soms te onverbiddelijk is, te verpletterend, dat we er beter omheen kunnen draaien. Dat liegen soms nodig is om niet te hoeven klikken. Wat denk jij?’

‘Ach mijn lief’, zei zij nu lachend, ‘je maakt het weer zo zwaar. Ik hou het maar bij Pippi. Je weet wel, dat meisje met die staartjes, rood haar en sproeten. Wit paard met zwarte stippen?’ ‘Ohhhh Pippi Langkous!’ ‘Ja die, net Pinokkio, ook met Pi, maar dan een meisje. Gehoorzaam aan een vrolijke ongehoorzaamheid.’

ronaldvanbreemen@live.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here