Het grote vasten

0

In de middeleeuwen was ‘het’ vasten zonder meer één van de belangrijkste pijlers van het bestaan. Het was niet alleen een religieus gebeuren, het was ook belangrijk voor de volksgezondheid, de economie, het maatschappelijke en politieke leven. De Heer wilde men zeker dienen, maar op vaste tijden moest men het absoluut wat kalmer aan doen. De buik kon niet altijd gespannen staan. We gaan even met Carolus Borromeus aan tafel en zuiveren de ziel.

Volgen we even de leer van Sint-Augustinus (354-430). “Vasten zuivert de ziel, verheft de geest, zorgt ervoor dat het vlees zich aan de geest onderwerpt, maakt het hart deemoedig en door wroeging verteerd, verdrijft de nevelen der begeerten, blust de vlammen van de wellust, steekt het licht van de kuisheid aan.” Vastenschenners werden met het vagevuur bedreigd. De macht van de Kerk was duidelijk voelbaar.

Wie het woord vasten wil begrijpen, grijpt terug naar de betekenis van het woord ‘ontbijt’ (bron: www.brood.net). Dat woord bestaat oorspronkelijk uit twee delen. Het Middelnederlandse ‘ont’ betekent ‘voorafgaand aan’. Het woord ‘bijt’ is afgeleid van bijten of eten. Dat betekent dat het ontbijt gezien wordt als ‘het beginnen aan eten’. In andere Europese culturen heeft het woord ontbijt een andere herkomst. Het Engelse ‘breakfast’ betekent letterlijk het doorbreken van ‘het vasten’ (break the fast). Ook het Franse ‘petit déjeuner’ is daarop gebaseerd (rompre le jeûne).

De avond voor de vasten begint, wordt Vastenavond of carnaval gevierd. Dit feest heeft heidense wortels en werd gevierd bij het begin van de lente. Het idee om zich te verkleden of te vermommen is geïnspireerd op het Romeinse narrenfeest of misschien op het herdersfeest van de Arcadiërs (red. Arcadië is de schaars bevolkte landstreek in het centrum van de Peloponnesos). De braspartijen zijn eerder geïnspireerd op de Germaanse offerfeesten bij het begin van de lente.

Het woord Vastenavond zou volgens sommigen niet te verklaren zijn als de avond voor de vasten begint, maar het zou afkomstig zijn van ‘vastelavond’, waarin we het Middelhoogduitse ‘faseln’ zien, wat vruchtbaar maken betekent. Het vieren van Vastenavond houdt misschien verband met oude vruchtbaarheidsriten.

Het woord carnaval zou dan afgeleid zijn van het Latijn. Sommigen denken dat carnaval is afgeleid van ‘carnem levare’, letterlijk vertaald ‘het vlees opbergen’ of van ‘carne vale’, wat betekent ‘gegroet vlees, het ga je goed’. Deze twee zouden dan verwijzen naar de vastenperiode als tijd waarin geen vlees werd gegeten.

Wie het vlees opbergt, gaat creatief aan de slag. De middeleeuwse keuken is een wonder van vindingrijkheid. Wat men zoal met vis, waterdieren en andere koudbloedige dieren kan bereiden, is verbluffend. Tot de vastenkost behoren kreeften en krabben. Aan de kust vind je natuurlijk oesters, diverse schaaldieren en zeesterren op het menu. Alles wat voor-, zij- of achterwaarts krabbelde, werd verwerkt. In het binnenland speelde gezouten haring een rol, maar ook slakken en kikkers, zelfs bevers en otters! Zij leefden immers in de buurt van het water.

De voorlopers van onze taarten, pannenkoeken, omeletten of pasteien waaraan men vis, vlees, groenten, kruiden of peulvruchten toevoegde, vinden we terug in de middeleeuwse keuken. Toen werden speciale logge, ijzeren of bronzen steelpannen gemaakt op drie poten. Ze waren voorzien van een log deksel, waarop je gloeiende kolen kon leggen. Die gevaarten zette men in en naast het laaiende of langzaam uitdovende vuur.

De ene vast, omdat hij ziek is. De andere alleen omdat hij te veel at. Nog anderen doen het, omdat ze liever de portemonnee dichthouden. Zieken vasten, omdat zij opnieuw gezond willen worden. Gierigaards omdat zij liever een cent in tweeën bijten. Zij willen niet de geest verrijken, maar wel hun aardse bezittingen.

Wanneer je vishandelaar STELOY weer een heerlijk vispasteitje bereidt, weet dan dat aan de basis van dit heerlijke gerecht de rijke abdijkeuken ligt, waaraan vrome smulpapen zich ooit tegoed deden.

Foto’s: © Eva Van Wichelen (STELOY) en Wikipedia

Bron: J. LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 75-79

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here