Het bakhuisje van Mortsel

0
Het bakhuisje van Mortsel

Gasthuishoeven ligt wat verborgen in het noorden van onze stad. De ontwikkeling van het sportlandschap zorgde voor een echte metamorfose. Van ons rijke landbouwverleden is hier nog weinig te vinden. In de 13de eeuw schonk de familie van Saldenrode het gebied aan het Sint-Elisabethziekenhuis in Antwerpen. De vier hoeven kregen de naam Salincrode. Het grootste gedeelte van het oude complex is nog steeds in handen van het OCMW van Antwerpen.

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat er op het domein ooit een Romeinse villa uit de eerste eeuw na Christus werd aangetroffen. De villa bestond uit een hoofd- en bijgebouw met een kelder ertussen. De nederzetting was eerder bescheiden, maar toen een ondergrondse hoogspanningskabel werd aangelegd, stootte men op een offerkuil met daarin een patera (een heilige kom) en een speurbeker.

Het domein heeft dus een archeologische waarde. Vandaar dat het sportlandschap in opbouw (verhoging) gerealiseerd werd. Het Lokale Bestuur Mortsel koos zo voor een behoud van de waardevolle site in situ.

Het aanleggen van een parkeerterrein deed het oude bakkershuisje van de hoeve Van Hul op zijn grondvesten daveren. Het huisje had amper funderingen! Bakhuizen en bakovens maakten eeuwenlang deel uit van onze landbouwcultuur, die zelfredzaam was. Het boerengezin oogstte het graan, bakte het eigen brood en bij feestelijke gelegenheden werden er vlaaien en speciale broden gebakken. Dat deed men buiten op het erf.

Brood bakken is precisiewerk. Je schat de juiste hoeveelheden in, kent iets van kneed-, rijs- en baktijden. Baktechnieken leerde je al doende en bakkennis werd doorgegeven van vader en moeder op zoon en dochter. Het bakhuis had een pannendak en stond ver van stallingen en het woonhuis. Brandgevaar was er altijd. Volgens het volksgeloof beschermden een vlierbes en donderbaard op het dak het bakhuis tegen brand. Vlier hield ook de muggen op afstand.

Het ovengewelf bestond uit leem of steen. Op de ovenvloer vond je vuurvaste tegels. Achter de ovenmond of -muil had je de stookplaats. Met een deksel of deurtje uit hout en/of ijzer werd de oven afgesloten en onder de oven lagen de takkenbossen. De rook verliet de oven door de ovenmond en trok weg onder de mantel van de haard die rond de oven werd gebouwd.

Met de opkomst van elektriciteit en gasovens raakte het bakhuis in onbruik. Het werd een washok, een bergplaats, een stal of kippenhok. Volgens het Museum voor de Oudere Technieken (MOT) waren er in 2017 nog bijna 3800 bakhuizen in dit land.

De vlier en de donderbaard, twee planten die niet mogen ontbreken in de buurt van een bakhuisje

Is de donderbaard je niet bekend? Deze inheemse en winterharde wilde artisjok heeft dezelfde geneeskrachtige werking op huid en slijmvliezen als de aloë vera. Op het platteland vond je de plant op daken van huizen. Nu kan men deze geneeskundige plant nog vinden op oude daken en muren, keihopen en rotsen, op plaatsen waar er maar weinig grond is. In de volksgeneeskunde benutte men de vlezige, sappige dekbladen of schubben zowel voor in- als uitwendig gebruik.

In de twaalfde eeuw schreef de mystica Hildegard von Bingen het volgende over de donderbaard: “Het huislook is koud en voor de mensen nuttig om te eten, omdat hij vet van natuur is …” De schubben van de vetplant werden geweekt in geitenmelk, opgekookt en met eieren in een gerecht verwerkt. Zo verdween de mannelijke onvruchtbaarheid.

Het hout van de gewone vlier is zacht en splintert niet. Gedroogd is het hard en dan kan je er kleine gebruiksvoorwerpen van maken. Vroeger eindigde de afvoer van de gootsteen boven de grond net buiten de muur. De vlierstruik werd hiervoor geplant en onttrok dit gat dan aan het zicht. Gekneusde bladeren bijeengebonden boven een deur of raam zouden muggen op afstand houden. Kransen van vliertakken legt men over de hoofden van paarden om lastige vliegen op afstand te houden.

Als nagerecht kennen we vlierbloesembeignets. De Noord-Amerikaanse indianen frituren de bloesem. Van de bloemen maakt men siroop of een verfrissende limonade. In Engeland is de stroop bekend als ‘Elderflower Cordial’ en de Zweden drinken Fläderblomssaft. Van de gedroogde bloesem trekken we kruidenthee. Gezeefde siroop van vlier is een huismiddel tegen keel- en buikpijn.

In het volksgeloof is de vlier “de boom van de Vrouwe, verbrand hem niet, of je wordt vervloekt.” Kortom een leuk idee voor een klein botanisch tuintje in de buurt van het bakhuisje.

Bronnen: Filip Spoelders, Het Nieuwsblad, 26/05/2021; www.bokrijk.be; Het Mortsels stratenboek, red. Bruno Gastmans

Foto’s: bakhuisje © F. Van Roosendael; vlier en donderbaard Wikipedia

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here