Helden

0
Helden cover

Korenbloemblauw 13

Niet in elk van mijn verhalen redt een lid van de Weerstand zijn dorp of geraken vijanden van elkaar verwikkeld in een man-tegen-man-gevecht, het gewone leven heeft ook zijn helden. Volgens de Grote van Dale is een held iemand die zijn angst overwint voor de goede zaak, een strijder die door moed uitblinkt, iemand die lichamelijk sterk is, of sterk is in kennis en vaardigheid. Soms overstijgt de figuur de daad, soms laat de daad de persoon zelf vervagen. Kan een held gaan lopen of zich overgeven? Ben je een lafaard als je geen held bent? Naar helden worden gebouwen, straten en pleinen vernoemd, hun daden worden te boek gesteld, verfilmd of naverteld. Vroeger kregen ze een standbeeld, nu hangen ze op een poster in je kamer en ja, anonimiteit siert ook. Helden en heldinnen zijn overigens tijdloos.

We reden van het veelbeproefde Zeeland naar mijn wortels in de Rupelstreek, waar de schouwen van de steenbakkerijen ooit bomen leken in een maanlandschap van klei. Boom stond bekend om zijn Sint-Pietersvieringen en om de hechte vriendschappen tussen harde werkers. De Duitsers dachten dat wasserij Moderna een badhuis was en stonden met hun handdoek aan de deur.

‘Keine Seife’, zei de eigenaar, hij waste kleren, maar dat bleek ook goed te zijn. ‘Machine kaput,’ snauwde hij toen ze er terug stonden, ze dropen af, het vergde moed. En de vader van kunstschilder Rudi De Vos nam zijn herdershond mee in zijn camion, de Duitsers hebben hem nooit durven controleren. Boomse zanger Bobbejaan Schoepen trad destijds op met Kees Brug. In de Ancienne Belgique zongen ze: ‘Een Duitse man dat wil ik niet, want Schweinefleisch dat lust ik niet’ op de melodie van ‘Mama, ik wil een man’. Een kwartier later zat Bobbejaan voor drie maanden vast. Maar de tekst was goedgekeurd door de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft, en ze moesten hem vrijlaten.

Er zijn zoveel verhalen, en zoveel die nooit genoteerd zullen worden. Op een van de vorige Erfgoeddagen sprak ik met Etienne Maes, Suzanne Coopman en Eugeen Verbruggen in Woonzorgcentrum Den Beuk in het kader van het thema Volkshelden uit de Rupelstreek voor provincie Antwerpen.

De Zwarte Hand

Herman Peeters was actief lid van de Zwarte Hand, hij was een held.

In de oorlog baatten zijn ouders een bierstekerij uit, eigenlijk ging het gewone leven een beetje zijn gang. ‘De Duitsers dronken nogal goed,’ vertelde Etienne, ‘veel last hadden we dus niet van de bezetter. Maar op een dag werd mijn nonkel, Herman Peeters, hier op de foto in zijn donker pak, lid van de Zwarte Hand. Hij maakte deel uit van een gezin van elf kinderen, niemand wist dat hij pamfletjes verspreidde tegen de Duitsers. Hij werd verraden.

De Zwarte Hand symboliseerde het Verzet.

De groepering bestond uit jongeren uit meerdere gemeenten van de Rupelstreek, een tweetal knapen hadden op café te hard staan snoeven over hun daden, het gevolg was desastreus. Ik was zes toen mijn nonkel in het begin van de oorlog werd geïnterneerd als politiek gevangene. Herman werd naar het Fort van Breendonk en daarna naar de Antwerpse Begijnenstraat gebracht. Daar kon de familie hem nog voedsel of kleren brengen, daarna werd hij afgevoerd naar het kamp van Wolfenbüttel. Twaalf dagen voor de Bevrijding is hij daar gestorven aan een longontsteking. De jongens werden opgepakt, het feest werd overschaduwd door het gemis. Hij had zich onbaatzuchtig ingezet voor het vaderland.’

Gered van deportatie

In een oorlog is de ene held, de andere gewoon ‘de andere’ of erger: de vijand, aan wie zelden heldendom wordt toegedicht. Helden kunnen hun daden relativeren of stilletjes in een groep mee genieten van de vieringen achteraf. Hun geluk bestaat eruit te zien dat zij die ze gered hebben, het goed stellen. Zo iemand was Suzanne Coopman.

De 92-jarige Suzanne Koopman

Suzanne was tweeënnegentig. Ze vond de opvang in het tehuis waar ze verbleef perfect, heimwee naar haar vroegere woonplaats en huishouden drukte ze weg door haar aangeboren optimisme en de energie die ze nog altijd uitstraalde. Dat optimisme had haar al geholpen toen ze nog een jong meisje was in de Tweede Wereldoorlog. Kamiel, haar twee jaar oudere broer werd ingelijfd bij de Civiele Bescherming in Walem, iedereen was toen ongerust. Zolang hij in België was, had de familie nog contact met hem, maar eens het Belgisch leger op de vlucht was, werd dat contact verbroken. Veel landgenoten die op een of andere manier in Frankrijk waren terechtgekomen, waren al op terugtocht. Ze werden onderweg gebombardeerd of gevangengenomen en de familie maakte zich nu heel grote zorgen om Kamiel. Ze vroegen overal rond, niemand wist waar hij was. Tot één van de teruggekeerde vluchtelingen Suzanne apart nam. ‘Dat was de heer Latré,’ lachte ze, ‘hij was een Boomse politieman die als bijnaam ‘t Potloodje had. Ge kunt het u al voorstellen, hij schreef nogal graag boetes uit. Hij zei dat hij mijn broer met een valhelm op het hoofd tussen de krijgsgevangen soldaten op de pui zien staan, aan het stadhuis.

Het stadhuis van Dendermonde

‘Welk stadhuis?’ De uitleg van de man overviel haar. Ze keek rond. Niemand had hen gehoord. ‘Dat van Dendermonde.’ ‘Het was een impuls,’ zei Suzanne, ‘meer moet ge u daar niet van voorstellen, ge doet zoiets zonder nadenken, en niemand houdt u dan nog tegen. Ik ben thuis niet eens de toelating gaan vragen, ik sprong op de fiets, en reed er naartoe!’ Ze vertelde het opgewonden, ze zag het allemaal nog zo voor haar ogen gebeuren. Voor het stadhuis liepen Duitsers over en weer en het viel haar op dat de burgers die in het gebouw moesten zijn, in een lange rij achter elkaar naar binnen gingen, tussen de aangehouden soldaten door. ‘Ik dacht: ik volg die mensen maar. Op een bepaald moment zag Kamiel mij, hij oogde bang, maar zodra ik zag dat het kon, deed ik teken en glipte hij ervantussen. Een bediende heeft ons tot bij de commissaris gebracht en die heeft ons geholpen, ik ben hem altijd heel dankbaar gebleven. We hebben van hem burgerkleren gekregen voor mijn broer, en ook een fiets. Wel een zonder zadel. We zijn er in ‘t geniep snel mee vertrokken – het zou een meer dan serieuze tocht worden met zo’n rijwiel zonder zadel. We spraken amper met elkaar. Bij de bruggen was het gevaar het grootst, ze werden bewaakt door de Duitsers. Bij de brug van Dendermonde, die van Temse, de brug over het kanaal, en die over de Rupel stond ons hart telkens stil. Tot onze grote opluchting hield niemand ons tegen, misschien omdat we met twee waren. Dezelfde avond zijn die soldaten vanuit het station van Dendermonde naar een krijgsgevangenenkamp gedeporteerd, Kamiel was daar dus niet bij. Eens thuis kwamen alle emoties los. Mijn broer is voor de veiligheid een paar weken binnengebleven. Wat telde, was dat mijn plan gelukt was. Een mens moet optimist zijn in het leven.’

De ogen van Suzanne blonken.

Een levende lont

Misschien was Antwerpenaar Robert Vekemans de grootste held in Boom, hij was alleszins de meest bekende, de ingenieur die op 3 september 1944 wist te voorkomen dat de gemeente en Antwerpen zouden beschoten worden. De Britten wilden Boom langs de Rupelbrug binnenrijden, maar die was ondermijnd en werd onder vuur gehouden door de bezetters. Vekemans kwam vanuit Antwerpen en leidde de Engelse tanks om langs de Weduwe van Enschodtbrug. Die werd ook ontmijnd, en zo werd de Bevrijding bewerkstelligd zonder slag te leveren.

Eugeen Verbruggen (midden) in gesprek met Roland Bergeys (rechts)

Een beetje in de schaduw van dit alles, speelden de daden van Eugeen Verbruggen zich af. Eugeen was met de helm geboren, beweerde hijzelf, en hij verduidelijkte erbij dat het geluk meermaals aan zijn zijde had gestaan. Misschien heeft een held soms ook wat geluk nodig. Eugeen was een oude krijger met een scherpe blik, een dun snorretje en witgrijs haar dat achteraan was samengebonden in een staartje. Geboren in Hemiksem, toen zesentachtig jaar geleden. Om alle en tot ieders verbeelding sprekende heldendaden die hij verrichtte op te noemen, is hier de plaats te beperkt: Eugeen kon bij de Bevrijding uit vuurgevechten tussen de Duitsers en de Geallieerden ontsnappen, en onderhandelde met witte vlag in de hand met een hoge Duitse officier in Hemiksem over de overgave van zijn eenheid.

Hij ontmijnde ook bunkers en omliggende terreinen en redde achteraf Duitsgezinde burgers van lynchpartijen. De daad die hem het nauwst aan het hart lag, was die van bij de bevrijding van Schelle. Een verhaal van angst, zelfopoffering, en moed.

‘Het begon allemaal zo,’ zei Eugeen, ‘de dag van de Bevrijding was ik bij mijn verloofde in Schelle toen iemand kwam melden dat mijn vader was opgepakt op de Molenbrug, een stenen brug op de grens tussen Schelle en Hemiksem, aan de watermolen.

Ik haastte me er naartoe. Daar aangekomen, zag ik dat vader kasseien aan het uitbreken was op de rijweg. Ik stond perplex. Een Duitse officier bedreigde hem met een pistool. Drie soldaten rond de brug verdreven mensen uit hun huizen. Allerlei vragen joegen door me heen, ik begreep amper wat er aan de hand was. Of ik de plaats van vader mocht innemen, vroeg ik de officier. Hij keek me aan en stemde dan toe omdat ik goed Duits sprak, ik zou de bevelen snel begrijpen. Vader had in 14-18 vier jaar IJzer meegemaakt en wist meteen wat er ging gebeuren. De angst in zijn ogen was onbeschrijflijk. Er was geen andere keuze. De Duitsers stuurden hem weg, hij moest recht naar huis, anders zouden ze hem doodgeschoten hebben. Ik was jong, ik had kracht, ik heb die kuil verder uitgegraven, het zijn dingen die een mens nooit vergeet. Het ging ook allemaal zo vlug. Toen de put was gegraven, vroeg ik of ik ook naar huis mocht. In de plaats daarvan kreeg ik een pistool op mijn borst gericht terwijl de soldaten rechthoekige, gele doosjes in de kuil legden die onderling verbonden waren met een buisje. Een centrale, lange, dunne draad leidde naar een apparaat aan mijn pols en duim. De buisjes waren springstof, ik was een levende lont! Ze maakten de kuil dicht. Bij het begin van de brug stond een muur van drie meter die vooruitstak op de baan. Daar moest ik achter gaan staan, men kon me niet zien. Het was de bedoeling dat de eerste tank die er overheen reed, de lucht in zou vliegen, ik stond daar hooguit een meter of vijf vandaan. Wat dan door u heen gaat …! Een paar tellen later kwam vanuit Hemiksem een bestelwagen aanrijden met de drie soldaten die eerder mensen uit hun huizen verdreven. Ze waren nerveus, sprongen uit de wagen, en zeiden tegen de officier dat het geallieerde leger al was voorbijgetrokken, langs de Boomsesteenweg. Dat was mijn geluk. Die mannen ontkoppelden de lont, braken de kuil terug open en haalden de springstof eruit. Ik zag hoe ze alles demonteerden. Ze lieten me vrij en vertrokken samen met hun officier halsoverkop richting Hemiksem. Ik keek ze na. Ademloos.

Nadien sloot ik me aan bij het Verzet en heb ik Schelle helpen bevrijden.

Op het terrein stonden twee bunkers. Toen ik één van die van die gewelven binnenkroop, zag ik een stukje draad uit het zand steken. Ik had onmiddellijk door welk soort draad het was. Die bunkers zaten vol springstof! Ik ontkoppelde heel voorzichtig alle ontstekingen, sinds kort wist ik immers hoe dat moest. Bang was ik niet echt, de angst leefde eerder onbewust, achteraf ging mijn hart heus tekeer. Wanneer ik eraan terugdenk, voel ik de emotie nog altijd. Ik heb die dagen meerdere mensen van de dood gered. Een echte, officiële erkenning is er evenwel nooit gekomen, maar al mijn kinderen kennen dit verhaal, ik ben al fier dat ik de medailles van mijn vader kan koesteren, held zonder glorie noem ik me weleens.’

Mensen die achteraf zonder poeha over hun daden vertellen, verdienen alle eer, oorlogen koesteren hun geheimen als schaduwen naast graven, helden buigen het hoofd vol herinneringen.

Foto’s: Geschiedkundige Kring Ten Boome

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here