Getuigen van de Tweede Wereldoorlog

0
Getuigen van de Tweede Wereldoorlog

De Tweede Wereldoorlog heeft onuitwisbare littekens achtergelaten. We luisterden naar Carlo Demesmaeker, Esther Naschelski en Maria Luyten die de oorlog als kind meemaakten. Drie verhalen om stil van te worden.

Carlo Demesmaeker is een levenslustige negentiger. Samen met zijn echtgenote Mia woont hij op het Mortselse kasteeldomein Cantecroy. Bij het uitbreken van de oorlog woonde Carlo nabij het Ter Rivierenhof in Deurne.

“In mei 1940 was ik tien jaar”, vertelt Carlo, “een kind nog. Moeder trok samen met mijn grootmoeder, mijn zus Josée en mij naar Gent. Mijn vader was zeeman en voer op dat ogenblik langs de Azoren. Van hem hadden we geen nieuws. Met de trein van het Rode Kruis zijn we van Gent naar Oostende geraakt. Mijn grootmoeder had daar gediend bij de moeder van geschiedschrijver en journalist Pierre Maes. Die was destijds heel bekend en zijn invloed reikte tot ver buiten de grenzen. We verbleven enkele dagen bij hem, en hij beloofde dat hij alles zou doen om ons te helpen.

De bedoeling was om naar Dieppe te varen. Het was al laat en we geraakten met moeite op de laatste maalboot. De onzekerheid was groot. Opeens zwenkte de boot en even vroegen we ons bang af of hij terugkeerde. Dan werd duidelijk dat we koers zetten richting Engeland. Na acht uur varen kwamen we aan in Folkestone. Daar zetten ook in WO I talloze vluchtelingen voet aan wal. We werden ondergebracht in Ilford Essex. Kort daarna trokken we naar Dagenham, waar sinds 1931 de Fordfabrieken gevestigd waren. Niet veel later verhuisden we naar Loughton. Mijn moeder en mijn zus verbleven er bij een oorlogsweduwe, mijn grootmoeder en ik enkele straten verderop. We hadden nauwelijks kleren en die dame had met ons te doen. “Come on”, zei ze, “let’s go shopping.”

Ze nam ons mee naar Stratford. Daar ging in de namiddag het luchtalarm af. Loeiende sirenes, hels kabaal van motoren, explosies … hele huizen stortten in. Geroep, gehuil, brandweer die uit alle macht probeerde te blussen: in een mum van tijd was het één grote chaos. “Run to te church”, hoorden we roepen. We schuilden een halve dag in de catacomben. De ravage was niet te overzien. Ik zie de beelden nog voor me. Met de bus reden we terug naar huis. Boven de stad hing een rode gloed, en alweer werd een nieuwe aanval ingezet.

De Duitsers wilden de Engelsen op de knieën krijgen met hun Blitz – bliksem – bombardementen. Alleen al tijdens de eerste maand kwamen bijna zesduizend mensen om en een veelvoud raakte zwaargewond. Die aanvallen duurden tot in mei ’41. We woonden niet ver van een luchtmachtbasis. Honderden brede, zilveren ballonnen hingen aan touwen in de lucht en lichtten ’s nachts op in de zoeklichten, om vijandelijke vliegtuigen te hinderen. We sliepen in schuilkelders, maar wij, kinderen, ruilden overdag stukken van schrapnels die we vonden …

Een kind ondergaat. Wát je hebt ondergaan en de tragedie ervan, besef je pas later.

In januari ‘41 liepen we door delen van het gebombardeerde Londen. Door een gat in een muur, tussen puinhopen, zag ik de zwaar beschadigde St. Paul’s Cathedral. De situatie werd te gevaarlijk. Pierre Maes zorgde ervoor dat onze familie naar Cornwall werd geëvacueerd. Daar kwamen we terecht op een boerderij. Eigenlijk had ik daar the time of my life: van het drukke, gevaarlijke Londen naar het rustige platteland. Ik leerde er de boerenstiel, met de tractor te rijden en koeien te melken. De oorlog leek zo ver weg. We zijn daar maanden gebleven zonder te weten waar mijn vader was. Via Pierre kwamen we te weten dat hij onderweg was naar Liverpool. Niet lang daarna waren we weer samen. Dan besef je wat geluk is!

Ik heb mijn kinderen meegenomen naar alle belangrijke herdenkingsplaatsen, in Normandië en elders. Telkens weende ik. Ik doe dat nog – en ik treur, omdat er hier in de scholen nauwelijks aandacht aan wordt besteed. Hopelijk komt daar nog verandering in.”

Carlo Demesmaeker © Wilfried Deferme

Ook Esther Naschelski maakte als kind de oorlog mee. Niet alleen de wereldbrand zelf, ook de naweeën ervan waren erg pakkend. Esther is een frêle, lieve dame en onthaalt ons in haar appartement in Mortsel. Ze vertelt hoe zij op het spoor kwam van haar familienaam en van haar ouders, die naar Auschwitz werden gedeporteerd. In 1942 woonde Esther in Mechelen, ze was toen 3 jaar.

“Ik woonde, samen met mijn zus Eva, in een kinderdagverblijf van de zusters Franciscanessen naast de Dossinkazerne”, herinnert Esther zich. “Die werd toen nog niet gebruikt voor jodentransport. Twee beelden uit die tijd komen me nog altijd voor de geest: één op het binnenplein met soldaten en een vrachtwagen, en één van een man op een stoel, terwijl ik aan het spelen was. Ik weet niet of dat mijn vader was. Mij is verteld dat de Duitsers me naar de zusters hebben gebracht.

In het dagverblijf is een vrouw ons, laat in de oorlog al, komen halen. Ze heette Fernande Henrard en nam ons mee naar haar huis in Schaarbeek. Ze had 18 Joodse kindjes aangenomen. Toch was ze tegen de Joden, ze lachte ons uit en was bang van ons. Henrard was fanatiek katholiek en probeerde ons weg te houden van onze roots. We mochten niet praten, moesten zwijgen of bidden. Vier kinderen hield ze bij zich, de andere stuurde ze naar kostscholen.

In de loop der jaren heb ik in dertien pensionaten gezeten. In sommige werd ik met de zweep geslagen, in andere in een hok gestopt ‘als straf’, al begreep ik niet waarom. Henrard had mijn zus elders geplaatst, omdat ze niet wilde dat we elkaar zagen. Een keer zijn we even samen geweest, in een kostschool in Namen …

36 is Eva geworden. Ze pleegde zelfmoord, het verleden woog te zwaar.

Henrard heeft me nooit iets verteld over mijn Joodse afkomst. Ze had me een andere naam gegeven: Berthe Thomas. Ze liet me zelfs dopen en tegelijkertijd mijn communie doen. Toch wist ik dat mijn moeder Joodse was, omdat de kinderen op school me soms uitscholden voor ‘vuile Jood’. Mede door die andere naam, en omdat ik mijn geschiedenis niet kende, vond de Joodse gemeenschap na de oorlog geen spoor van mijn broer, mijn zus of mijzelf. Mijn broer zag ik pas in 1961 terug. Hij werd opgevoed in een gezin in Wallonië.

Ik was een heel gesloten, droevig meisje. Als Henrard boos werd, zei ze dat mijn moeder gek was geworden. Tot in 2005 geloofde ik dat. Over mijn vader sprak ze nooit. Ik draag nu nog altijd de naam van mijn moeder. Dat ik Joods ben, ben ik trouwens op een bizarre manier te weten gekomen. Op een dag gingen we met de meisjes van de kostschool wandelen in het Brusselse Josaphatpark. We speelden met een bal en een van de kinderen riep mijn naam: ‘Naschelski!’ Een man die langsliep had dat gehoord. De bal rolde naar hem, hij stopte hem met zijn voet en zei: ‘Jij bent een Jood!’ Geschrokken liep ik naar de zuster, die zei: Dat zal je leren om Jood te zijn!’ Die man was maar een voorbijganger, toch was het tekenend voor de rest van mijn leven.

Na de oorlog heette ik Berthe Naschelski. Op mijn eenentwintigste ging ik toch op zoek naar mijn moeder. Bij de Joodse gemeenschap kon ik inlichtingen inwinnen, maar dan moest ik wel lid worden. Ik zei dat ik gedoopt was, en door mijn opvoeding ook bang was van Joden. Ze vertelden me dat mijn moeder naar Buchenwald was gedeporteerd. Tot in 2005 leefde ik in die overtuiging. Toen nam Johannes Blum contact met mij op. Hij verzamelde gegevens over ondergedoken Joodse kinderen. 65 jaar lang had ik gezwegen over vroeger, maar dankzij hem is alles opnieuw bovengekomen. Na twee gesprekken met Blum besliste ik om naar Vreemdelingenzaken in Brussel te gaan, en zelf verder te zoeken. Zo kwam ik mijn vader op het spoor.

Mijn moeder werd geboren in 1915 en woonde lange tijd in Berlijn. Mijn zus kwam daar ter wereld, ik in Antwerpen. Mijn vader was een koopman uit Leipzig. Tijdens het interbellum werd hij gevangengenomen, maar kwam vrij met de hulp van een advocaat. Hij ontvluchtte de stad voor de Gestapo en belandde zo in België. In 1938 meldde de overheid dat ze wegens het politieke klimaat het land beter konden verlaten. Mijn moeder had een verzoekschrift ingediend om toch te mogen blijven: ze had Eva van achttien maanden en was zwanger van mij. Tegen alle adviezen in, bleef ze. Dat werd haar fataal. Zodra mijn ouders opgepakt waren, brachten ze hen naar Breendonk. Vanaf het ogenblik dat we in de Dossinkazerne aankwamen, namen de zusters Franciscanessen Eva en mij op. Mijn ouders werden met het eerste transport naar Auschwitz getransporteerd. Mijn vader heeft er nog drie maanden geleefd.”

Samen met professor Hans Grietens schreef Esther het relaas van haar zoektocht in het boek ‘Achter de stilte’. Haar verhaal vertellen is voor Esther Naschelski een missie. Ze sensibiliseert nog altijd jongeren met voordrachten over de zinloosheid van oorlog, en over de gruwelijkheden in naam van een regime.

Esther Naschelski © Wilfried Deferme

Van het beklijvende verhaal van Esther gaan we naar Maria Luyten. Zij is op 28 juli 1930 in Edegem geboren. Vandaag woont zij in Mortsel. Maria – of in één adem ‘Maria van Gusta van ‘t Coppéke en van Pier van Nelleke’ – vertelt ons het verhaal van haar vader.

“In 1940 was ik 10 jaar. Mijn vader, Flor Luyten, wist dat hij zou opgeroepen worden. Nog voor de mobilisatie kregen de dienstplichtigen al een uniform dat ze mee naar huis namen. In het begin kwam hij elke dag over en weer, we waren het bijna gewend. Tot politieman Charel Verhulst – ‘Charel de garde’ – zijn bel luid liet schellen in de straten. Hij riep alle mannen op om zich naar de kazerne te begeven.

Mijn vader was er natuurlijk niet op gebrand om te vertrekken, maar hij had geen keuze. Hij haastte zich naar zijn eenheid op de Antwerpse Paardenmarkt ­- dat was op 10 mei, de dag waarop hij en mijn moeder 10 jaar getrouwd waren. We konden niet vermoeden dat we hem lange tijd niet zouden terugzien.

Toen de Duitsers België binnentrokken, hadden we geen idee van wat er gebeurde. Stel je voor, mijn broertje vroeg zelfs of Hitler erbij was! Wat weet een kind? Mijn vader was met zijn fiets amper in Gentbrugge geraakt. Hij werd er krijgsgevangen genomen en op de boot naar Linz an der Donau gezet. Daar kwam hij terecht in Stammlager of basiskamp Stalag 17b en moest hij werken in een luciferfabriek. We schreven hem brieven en prentbriefkaarten. We kregen geen antwoord … We waren doodongerust. Elke dag baden we dat hij naar huis zou komen. Ik had in huis een groot bord opgehangen en daarop geschreven ‘Welkom thuis, lief vadertje!’ Hoop doet leven. Kijk, ik heb nog een nieuwjaarsbrief die ik stuurde naar mijn vader. Die heeft hij kennelijk ontvangen op 1 februari 1941.

Op een dag werd op het rolluik geklopt. We schrokken, dachten aan alles, behalve dat mijn vader plots voor de deur zou staan. Maar hij was het! Kaalgeschoren, maar niet vermagerd en ze hadden hem niet geslagen. De emotie was onbeschrijflijk.

Mijn laatste herinnering aan de oorlog, is de Bevrijding. Toen heb ik Churchill op de Antwerpse Meir zien aankomen in een jeep. Een massa volk, uitgelaten dansend door de straten. En dan was het voorbij. Al is het voor sommigen nooit meer overgegaan.”

Maria Luijten © Wilfried Deferme

We bedanken Carlo, Esther en Maria heel hartelijk voor hun getuigenis. Hun boodschap is unaniem: dit mag nooit vergeten worden!

Foto’s: © Wilfried Deferme

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here