Erna en Louis Peters – broer en zus uit de Antwerpse polders

0
Erna en Louis Peters - broer en zus uit de Antwerpse polders

Korenbloemblauw 7

We zouden verhalen noteren uit Nederland, Duitsland, Frankrijk en Engeland, maar we begonnen dichterbij, bij familieleden, bij Erna en Louis Peters, tante Erna en nonkel Louis. Ze zijn oud, broer en zus, Erna is frêle en heeft grote ogen, Louis lijkt een éminence grise met een zilveren baard en snor en heeft een rustige, onderzoekende blik. Hij is eerder timide, zij praat graag. Oorlogsherinneringen ophalen helpt de geest fris houden. Destijds woonden ze in de Antwerpse polders nabij het Havenhuis, de vroegere brandweerkazerne. Nu woont Louis in de Van Schoonbekestraat waar Erna die dag ook aanbelde. Hij onthaalde ons in zijn herenhuis dat veel heeft van een museum, met de schitterende beeldhouwwerken van hun broer Jozef die de ruime vertrekken en de stadstuin sieren. Jozef was een bekend kunstenaar, de familie koestert zijn creaties. Telkens weer bewonderen we ze en stelt Louis dat schoonheid tijdloos is, net als leed.

De tekst gaat verder onder de foto.

Ewald en Maria Peters, de ouders van Louis en Erna

‘Moeder was conciërge,’ zei Erna, ‘vader gemeentearbeider. In de verte zag de familie gehavende Belgische soldaten de aftocht blazen. Vader wilde niet vluchten, met vijf kinderen was dat niet evident, en de bruggen over de dokken waren opgehaald. De dag daarna lieten de Duitsers ze weer neer, als open poorten naar het nieuwe leven in de metropool. Het andere leven.’

Een zwart-witte poes krulde rond Louis’ kuit, trippelde dan naar buiten. De bedenkingen van broer en zus gingen over en weer. Hun verhalen hebben de ronde van de familie gedaan, ze zijn te boek gesteld* en ze hebben meerdere interviews achter de rug, de trots dat ze het verleden mochten oprakelen, overheerste. Louis zou het zeker hebben over het straatbeeld in 1940, over de chaos met de lange rijen vluchtelingen, de vele mensen die hun dieren hadden achtergelaten, de schrijnende taferelen. Diezelfde dag zagen broer en zus lichtflitsen in de verte. Voor hen leken ze op vuurwerk, maar dan volgde een soort knal die ze nog niet kenden: die van een kanonschot. Granaten vlogen door de lucht en hun vader beval: “Vooruit, hou allemaal een stoel boven uw hoofd als dakje, en we zijn weg!”

De tekst gaat verder onder de foto.

Vader Ewald Peters

Vaders woord was wet, hij had al een oorlog meegemaakt. Erna pikte in: ‘We waren zelf een rijtje vluchters in de wei, het oogde misschien grappig, dat was het niet: op een drafje naar een schuilplaats naast de spoorweg, een put met wat balken en zandzakken erover. We brachten er bang de nacht in door. Toen we opstonden, straalde de zon, toch was het oorlog.’ Ze moesten weer naar huis. De vijand stond aan het kanaal, en er werd geschoten. De wereld zag er plotseling helemaal anders uit. Een deur werd uit haar hengsels gelicht, de ruit vloog aan diggelen. Louis had niet eens de tijd om weg te duiken. Een grote scherf belandde tussen zijn bovenlijf en zijn arm. Hij was niet gewond, maar de angst zat er vanaf dan diep in. Er trokken opnieuw colonnes voorbij, Duitsers nu, het leven onder de bezetter begon.

Vanaf 1 mei 1941 was Erna verpleegster in opleiding in het Antwerpse Stuivenbergziekenhuis waar ze met collega’s op een kamer sliep.

De tekst gaat verder onder de foto.

Erna was tijdens de oorlog verpleegster. Eerst in het Stuivenbergziekenhuis, later in het Stappaertsziekenhuis.

‘Een van de meisjes had een grammofoon, we zongen in onze pyjama liedjes van voor de oorlog, tot de hoofdverpleegster binnenviel. De volgende avond stopten we vodden in de luidspreker, maar ons lokaal lag boven haar kamer: haar kroonluchter danste! We kwamen niet bij van het lachen, we moesten wel ergens ontspanning zoeken, de oorlog woog.’

Tante Erna. Ze zei het met een glimlach. Ze wilde zich sterk houden toen, ze is dat nog steeds. Tijdens bombardementen schuilden burgers in de kelders van het ziekenhuis. ‘Boven stond een pianola. Ik wilde erop spelen, maar de hoofdverpleegster snibde dat er in de kapel een begrafenis aan de gang was. Ze kwam elke avond controleren of we sliepen. Om elkaar te plagen, namen we het middelste deel van onze matras weg en zetten er een bad met koud water onder, voordat ze op controle kwam. Als ge ging liggen, was uw achterwerk kletsnat. En voorts naaiden we mouwen van jassen dicht of stopten we sleutels van kasten weg. Noem het jonge-meisjes-fratsen van toen. We zagen ook veel miserie waaruit we leerden, en we probeerden er het beste van te maken.’

Voor de oorlog hadden hun ouders Louis ingeschreven in het conservatorium. Het zou anders lopen, hij moest op zijn veertiende gaan werken, zo kregen ze thuis ook meer rantsoenbonnen.

De tekst gaat verder onder de foto.

Louis in zijn jonge jaren.

‘We waren al tevreden met een haring,’ zei hij, ‘we hadden wel konijnen gekweekt, maar we kregen het niet over ons hart om er een te doden en we vroegen ons af hoe ménsen elkaar konden vermoorden.’ Zijn blik verstarde. ‘Oorlog is lelijk. Ze hebben jaren afgenomen van onze jeugd.’

Erna werd na zes maanden Stuivenberg overgeplaatst naar het Stappaertsziekenhuis. De jonge verpleegsters liepen ’s nachts wacht met een zaklamp in verduisterde zalen. Ze moesten ook naar buiten, waar zoeklichten de hemel afspeurden naar vijandelijke vliegtuigen. ‘Het was best griezelig – jonge meisjes hebben veel verbeelding. De portiers hadden dat door en schiepen er lol in om ons te laten schrikken: ze trokken een cape aan, speelden voor spook of maakten akelige geluiden.’ Ze zei het ginnegappend, met een frons die guitigheid verried en die daarna overging in een soort van berusting. ‘We deden alles om de aandacht af te leiden van de harde tijden waarin we leefden.’ ‘Toen ge werd opgeroepen om in Duitsland te gaan verplegen, praatte ge u eruit,’ reageerde Louis, ‘omdat ge nog in opleiding waart.’ Een glimlach. Broer en zus, ze voelden elkaar aan, ze zullen dat blijven doen.

Een jaar later riep men Erna opnieuw op. Gelukkig was de oorlog te ver gevorderd. ‘We steunden elkaar ook. Een collega vroeg of ik voor één keer op haar kamer wilde slapen. Die nacht vielen Duitsers het ziekenhuis binnen. Ik deed alsof ik sliep. Als bij wonder lieten ze me liggen. Pas achteraf bleek dat onder dat bed materiaal lag waarmee dat meisje iemand van het Verzet had geholpen. Meer wil ik er niet over vertellen, we hadden allen onze fraaie, en minder fraaie kanten,’ zei ze. Erna stond dicht bij haar patiënten en hield de moed erin. Op feestjes danste ze walsen en rumba’s en maakte ze tutu’s in krimppapier. En later, in 1944, in het Sint Elisabethziekenhuis, trokken anderen zich eveneens op aan haar optimisme.

‘We turnden om verstrooiing te vinden, in beha en slip, want we hadden geen turnkledij, in die tijd was dat gedurfd. En toen de Canadezen de stad binnenreden, sleurde ik iedereen naar het venster om naar hen te wuiven.’

De Bevrijding was voor Louis de mooiste dag van zijn leven. ‘Mensen gingen uit de bol, maar er werd ook fatsoen overtreden. Een fles wijn meenemen uit grote dorst is iets anders dan een hele piano uit een hotel roven. Hij schoof toen braaf aan voor een fles en stond daarna met die wijn in zijn handen, toen een voertuig vol Duitsers brutaal terug de stad in reed. ‘Eén salvo, kogels sloegen her en der in, en voor ik het besefte, spatte de fles uit mijn hand. Ik had alleen de hals nog vast. Zoals in de film!’ Niemand zal weten waarom het lot hem nogmaals voor erger behoedde. ‘Scherven van geluk waren het.’ Louis schudde het hoofd, ik volgde zijn blik naar de kunstwerken in de kamer. Hij raadde mijn gedachten en mijmerde luidop: ‘Schoonheid is tijdloos. Onze broer bleef er naar op zoek, hij tekende zelfs tijdens de oorlog. Kleine dingen maken u blij.’ ‘Mijn optimisme kreeg een deuk met de V-bommen,’ rondde Erna het gesprek af, ‘toch ging ik swingen, met de bevrijders in de Twenty-one, de latere Elisabethzaal, al besefte ik dat het morgen voorbij kon zijn. En zo danste ik de oorlog uit, voor altijd.’

De kat sloop de woonkamer binnen, poot na poot. De woorden waren op. Buiten zoefde een motor door de straat. Een foto van Jozef trilde naast het raam. De poes sprong op de sofa en vlijde zich tussen broer en zus.

Erna en Louis Peters vertelden hun oorlogsherinneringen aan Roland Bergeys.

* De verhalen van Erna en Louis verschenen elk apart in mijn bundel ‘Gaan jullie ons nu doodschieten?’ (Lannoo 2011) Met droefheid melden we dat Louis vlak voor de publicatie van dit verhaal overleden is. Hij was blij dat het hier zou verteld worden.

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here