De terugkeer van de sjamaan

0
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Er was een enorm verlangen naar terugkeer, een verlangen dat kracht gaf aan de arbeid van de tuinman. ‘Zou het niet te laat zijn?’, vroeg de mandalist, die op verzoek van de tuinman het medaillon onder het stof van de verbouwing had weggetrokken en opnieuw had opgepoetst. Te laat? Waren de tekens immers niet duidelijk. Het afnemen van biodiversiteit, de verandering van klimaat? ‘En’, zei de mandalist bezorgd, ‘zijn wij mensen wel in staat om te veranderen, of moeten we gewoon niet erkennen dat we ook maar gewoon dieren zijn onontkoombaar gedetermineerd met het gen van hebzucht? Niks heldere geest. Niks vrije wil. We zijn als lemmingen. We rennen de afgrond tegemoet. Onze eigen ondergrond. Onze eigen ondergrond!’, riep hij nogmaals. ‘Dus’, zei hij nu zeer nadrukkelijk, ‘ik vraag het je nogmaals. Zou het niet te laat zijn?’

Het was mei en het was zondag. Het was vroeg en nog stil in het bos. ‘Maar hoor’, zei de tuinman, ‘de koekoek is terug. Hij is niet te laat. Ik beloof je dat zijn roep ook tijdens de wandeling op Hemelvaart weer hoorbaar zal zijn.’

Het was mei en het was zondag. De tuinman en de mandalist zaten samen op hun bankje in het bos, zoals vorig jaar en de jaren daarvoor, ook in mei en ook op zondag. Ook toen zei de tuinman, ‘Maar hoor, de koekoek is terug’ en spraken zij met verwondering over de schoonheid van die melancholieke roep. ‘Alsof die verre reis naar Afrika zijn klank heeft opgefrist en zijn terugkeer ons na de vergetelheid van winter weer doet herinneren.’ ‘Wat doet het ons dan herinneren?’, vroeg de mandalist, die eigenlijk wel wist dat hij naar de bekende weg vroeg. ‘Dat weet je toch wel’, zei de tuinman, eerder op de toon van een antwoord dan met de klank van een vraag.

‘Ja’, zei de mandalist, ‘dat weet ik ook wel. Het doet ons herinneren aan verbintenis. Het doet ons als het ware herverbinden.’ ‘Yes!’, zei de tuinman, ‘met de natuur. De koekoek is als een eenzame hobo die roept: ‘Wij zijn van dezelfde aarde. Wij zijn van dezelfde aarde.’ Koekoek. Koekoek. De roep in de verte klonk als bevestiging.

‘Ik weet het ook allemaal wel’, zei de mandalist. ‘Maar’, zei hij, nu met een vragende blik in zijn ogen en op de toon van een kind, ‘je kunt zo mooi vertellen en het is mei en het is zondag.’ Het klonk nog net niet als ‘pappie … please?’ Ja, het was zondag, de dag van verhalen, de dag om op verhaal te komen. En ja, het was mei, de maand van de belofte. En de koekoeksroep in de verte klonk als aanmoediging.

‘Nou vooruit dan maar’, zei de tuinman. ‘Er was eens’, begon hij enigszins aarzelend, alsof hij zich nog even afvroeg of dit wel het juiste meiverhaal was.

‘Er was eens een diepgelovig mens die ook nog priester was en ook nog hooggeleerd, een moeilijke combinatie van kwaliteiten. Hij gaf les aan de grote universiteiten van Amerika en verstond als geen ander de kunst van het vertellen van de oude verhalen. Zo verkreeg hij in de loop der jaren een grote schare toehoorders. Toehoorders die bewonderaars werden. Bewonderaars die fans werden. En voor hij het wist, zong hij dag in dag uit, keer op keer, hetzelfde lied en vergat hij de dagen om zelf op verhaal te komen. De twijfel sloeg toe, toen hij op een dag besefte dat hij wel erg ver was afgeraakt van het oorspronkelijke verhaal. Hij was verdwaald. Was dit wel de weg naar ‘het huis van zijn Vader’? Het leek alsof hij in de grootte van de eer en roem die hem ten deel was gevallen, de glimlach van de kleine dienstbaarheid was kwijtgeraakt. Hij gaf zijn docentschap op en ging wonen in een gemeenschap van verstandelijk gehandicapten. Mensen die niets begrepen van al zijn intellectuele prietpraat, maar mensen bij wie hij de leerling werd, leerling in naastenliefde.’

De tuinman hield even stil. Koekoek, koekoek klonk het in de verte. ‘Ga door, ga door’, zei de mandalist die wist dat het mooiste nog moest komen, ‘the moment of awakening’.

‘Ja, ja’, zei de tuinman, ‘ik vertel verder. Het was eigenlijk eerder het verhaal van toen hij nog lesgaf en met een groep studenten een bezoek aan Sint-Petersburg bracht. Het was daar in de Hermitage bij het zien van een schilderij, een verbeelding van een verhaal dat hijzelf vele malen verteld had, maar pas nu, nu het hem verteld werd door de grote Rembrandt zijn ware betekenis prijsgaf.

Even was het of hijzelf de verloren zoon werd, berouw mocht tonen, schuld mocht bekennen, verantwoording mocht afleggen. Hij kwam thuis in ‘het huis van de Vader’. Terugkeer. Thuiskomst.’

‘Ik weet niet of dit het antwoord is op jouw vraag’, zei de tuinman, ‘ik weet niet of het te laat is? Soms vrees ik het ook, maar ik hoop dat het niet zo is. Soms vrees ik dat we de koekoek niet meer zullen horen, zoals ook de wielewaal nu stil blijft. Soms vrees ik dat terugkeer niet meer mogelijk is, maar ik hoop van wel. Misschien zijn we wat verdwaald. Misschien zijn wij wel die verloren zoon, afgedwaald van moeder natuur. Misschien hebben wij de natuur wel in de steek gelaten. De natuur heeft ons niet in de steek gelaten. Wij zijn van de natuur. De natuur is niet van ons.’

ronaldvanbreemen@live.nl

Naschrift

De priester in het verhaal is Henri Nouwen, over zijn ontmoeting met het schilderij van Rembrandt heeft hij een verhaal geschreven, ‘Eindelijk thuis’. Dit is dus een verhaal, over een verhaal, over een verhaal, over een verhaal …

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here