De terugkeer van de raaf – Een pinksterverhaal

    0

    Het was jaren geleden, bedacht hij zich nu, nog lang voor de geboorte van de mandalist. De verhalenverteller, hij was nog danser.

    Dat was de man die zich verbeeldde dat hij een raaf was en ons kwam vertellen van de dans van de raaf. Dus …

    ‘Er was eens een man die zich verbeeldde dat hij een raaf was … en ons kwam vertellen over de dans van de raaf’. Dat was de laatste zin in het derde verhaal van vogels. Het verhaal waarin hij had verteld over de komst van de roeken en zich had afgevraagd of de waakvlam van liefde ook in ruige tijden zou blijven branden. Wat hij toen nog niet wist, was dat het eerst nog erger zou worden. ‘Het lijkt wel’, zei een vrouw op een rommelmarkt, in een kraampje waarin ze haar boeken over geschiedenis verkocht, ‘het lijkt wel alsof we er niets van geleerd hebben. Vroeger gaf ik les in geschiedenis, maar nu’, zei ze op ietwat treurige toon, ‘nu kan ik geen leerling meer vinden. Op de school waar ik werk, denken ze er zelfs over om het vak maar helemaal af te schaffen.’ Een eindje verderop, in een ander kraampje, lagen de emblemen van toen onverhuld naast de porno van nu.

    Dat natuurlijk allemaal terzijde, want nu was het Pinksteren, het feest van de Heilige Geest. Het feest waarin God in al Zijn erbarmen, de geest terug schonk aan de mensen. ‘Hier’, had Hij in een stille fluistering als het ware geroepen, ‘Ik geef Hem terug. Ik geef jullie de Christus terug. Ieder van jullie, dus jij en jij en jij … en jij … Ja, nu was het Pinksteren.

    ‘Ik ben Raaf’, had hij toentertijd geroepen, ‘Ik ben Corvus corax, stoutmoedig en onoverwinnelijk in al mijn gevechten. Alles en iedereen heb ik verslagen. De bronnen van de aarde heb ik geopend, het vuur ontstoken en de lucht verduisterd.’ Maar hij was hoogmoedig geweest. Hij had in al zijn gevechten al het andere weten te verslaan, hij had de olifant zijn ivoor gestolen, de oester haar parels en de walvis zijn amber. Hij was onachtzaam geweest en had, last but not least, de kleine waakvlam van liefde gedoofd en daarmee, het laatste herinneren aan dat wat leven tot liefde maakt, verstikt. ‘Gewoon wat uitblazen’, dacht hij toen. Uit!

    ‘In het verhaal waren zij de vogels van Odin, hij de Gedachte en zij het Geheugen. In hun overmoed om de wereld te veroveren waren zij de oceaan overgevlogen … ver weg van Odin. De oppergod vond zoveel vrijpostigheid toch ook wel wat te ver gaan en ontstak een hevige storm. ‘Dit zal hen leren’, dacht hij. De vogels hadden moeite om bij elkaar te blijven. ‘Volg mij, volg mij … blijf in de buurt’, riep de Gedachte tegen het Geheugen, want wij zijn Raaf. Helaas, zoals het zo vaak gaat in dit soort verhalen, zij trok het niet. Ze was niet opgewassen tegen zoveel razernij, tegen zoveel geweld, tegen zoveel storm. Hij raakte haar kwijt en zo verloor de Gedachte zijn muze, de draagmoeder van alle herinnering en verdween het Geheugen in de golven van de zee. Opgelost in water.

    ‘Maar papa, zo mag je een verhaal niet laten eindigen,’ zei zijn dochter, ‘zeker niet met Pinksteren. Dit is veel te verdrietig. In alle mensen leeft het verlangen dat het goedkomt. In alle mensen leeft de hoop op een goede afloop. Was er dan geen reddingsvlot? Of een vis of zo. Een vis die haar terugbracht naar de kust. Zoals in het verhaal van Jona?’ Hij bleef even stil terwijl zij hem verwachtingsvol, bijna smekend aankeek. ‘Oh, je wilt een wonderverhaal’, zei hij. ‘Ja, pap’, zei zij hoopvol, ‘als het even kan wel.’

    ‘Raaf was moe. Hij plofte neer op het strand van een verre kust. Waar was hij? Was hij hier ooit eerder geweest? Hij dacht dat het ver was, maar misschien was het wel heel dichtbij? Hij wist het niet, hij kon het zich niet herinneren. Hij dacht dat hij het ver moest zoeken, maar misschien was het wel heel dichtbij. Het werd avond en het werd ochtend, dan weer eb en dan weer vloed, nieuwemaan en vollemaan, ver weg de horizon, achter hem de duinen en in al die lucht en dat water werd hij oud en grijs. En toen wit. Een witte raaf. ‘Als je niet weet waar je het moet zoeken, blijf dan waar je bent’, had de wind hem ingefluisterd. ‘Als je niet meer weet waar je het moet zoeken, laat je dan vinden’, had de maan hem verteld.

    En toen bij een vollemaan en grote vloed, bij toeval, per ongeluk … oh wonder boven wonder, begon ook de zee, de grote zee te spreken. ‘Oh mijn lief,’ leek zij hem te zeggen, ‘ik heb je gevonden!’ Had hij dat goed gehoord? Het leek een begoocheling, want in al zijn eenzaamheid, was hij het samenzijn vergeten. ‘Drink mij, want ik ben hier’, leek zij te zeggen. En dat deed hij. Eerst een slokje en toen nog een. Het was wat zout, een bitter medicijn, maar toen een hele teug, want het leek te helpen. Langzaam kwam alle herinnering terug. Van de eerste liefde, de eerste lach en de eerste traan. Van al hun samenzijn, van al hun reizen, maar ook alle grote gevechten. De hele geschiedenis stond hem weer helder voor ogen. Hij was blij en dolgelukkig. Slechts een ding was anders. In al zijn eenzaamzijn, in al dat wachten op het strand, had hij het weten van de Boeddha verkregen. Het kan zijn dat hij die duizend vijanden verslaat, de goede is, maar hij die zichzelf verslaat, die is de ware.’ Het was Pinksteren.

    Ronaldvanbreemen@live.nl

    Naschrift

    De afbeelding van de raaf, is een waterverfschildering van Karl Martens.

    LAAT EEN REACTIE ACHTER

    Please enter your comment!
    Please enter your name here