De euvele daad van Jean Bastian

0
De euvele daad van Jean Bastian

Korenbloemblauw 8

Waar moest een mens lukraak gaan zoeken naar iemand met een oorlogsverhaal? In het buitenland. In het Zwitserse Luzern, aan het wondermooie Vierwoudstedenmeer.

We stapten van de ferry uit Weggis, niet ver van de kade stond een bloemenmarktje. Na wat rondkijken zagen we een oude dame aan een kraampje staan – grijs haar, met een permanentje, een gebogen rug, een wandelstok. Ze had een op het eerste zicht milde blik die niet strookte met het beeld dat velen hebben van de oudere generatie stugge, zwijgzame Zwitsers. Hoe konden we ons aandienen? De kans dat zij ons programma kende, was nihil. Ze nam ons peilend op. De weg vragen naar het museum leek wel wat. We geraakten in gesprek, maar toen ze doorhad dat we een verhaal over 40-45 zochten, maakte ze duidelijk dat ze anoniem wilde blijven. ‘Chacun a ses raisons.’

Ze wilde wel kwijt dat volgens de nazi’s Bern en Zurich om reden van hun wapenfabrieken moesten worden veroverd, en dat Duitsland en Italië Zwitserland onderling zouden verdelen. ‘De bergen waren moeilijk te veroveren,’ zei ze ook, ‘en hoewel de dienstplicht van korte duur was, was het leger goed getraind. Het was trouwens antinazi.’ Ze legde de klemtoon op het laatste woord. Zo gauw haar ouders de inval in Polen vernamen, brachten ze alle waardevolle stukken in allerijl in bewaring in de Nationale Kluis, le Réduit National. De hotels waren al leeg, de impact van de oorlog werd snel gevoeld, ook in Luzern. Zo waren er voor voedsel, kleding en schoeisel rantsoenbonnen voorzien, droegen mensen schoenen met houten zolen, mocht er maar 125 gram brood per dag worden gekocht, en was benzine schaars en duur. Zwitserse vrouwen die met Duitse mannen waren gehuwd, werden in centra geplaatst. Officieel was het land neutraal, economisch was het omringd door Duits en Italiaans gecontroleerd gebied.

‘We maakten uiteraard mee dat Europa werd bevrijd, maar er werd niet gefeest, Zwitserland is ook niet bevrijd. We waren geen strijdende partij.’ Dat de Zwitsers nog voor de Duitsers het systeem van een ster op de identiteitskaart van Joden hadden ingevoerd in 1938, wilde ze niet bevestigen, noch dat er lang na de oorlog nog processen werden gevoerd over al dan niet vermeende overheveling van nazigeld naar haar land, en het doorsluizen van oorlogscriminelen naar Zuid-Amerika liet ze ook in het midden. Haar toon werd daarop een beetje grimmig en ze brak het gesprek af, om te verdwijnen tussen het voetgangers.

We besloten de dag daarna verder te reizen naar Straatsburg, Strasbourg, hoofdstad van de Elzas. Aan de overkant van de Rijn lag Duitsland. Door de eeuwen heen was de stad meerdere malen van Duitse in Franse handen overgegaan, en omgekeerd. Straatsburg met zijn kanalen, zijn Europees hof, de middeleeuwse straatjes, zijn Grande Dame, de kathedraal.

De antiekzaal van Jean Bastian

Na een rondje door het centrum stonden we voor een antiekzaak naast het kerkgebouw. In een antiekzaak moest toch iemand te vinden zijn die over de oorlog kon spreken, dachten we. We waagden onze kans. Jean Bastian woonde daar. Hij was sinds mensenheugenis antiekhandelaar en gevierd illustrator. Zijn jongste zoon, een grote, kalende veertiger, liet ons binnen in een sprookjeswereld van stijlmeubelen, gekruld ijzerwerk, ornamenten en snuisterijen. Hij oogde vriendelijk en nam onze vragen onmiddellijk ernstig.

‘Papa a déjà son age, mais il est d’accord de vous parler de la guerre.’

Het overweldigende interieur van de antiekzaak van Jean Bastian
Jean op 13-jarige leeftijd omringd door zijn ouders en een tante

Jean kwam de trap met de dieprode loper af en behielp zich met een stok. Hij wilde ons graag vertellen over de oorlog in de streek. Hij was een nestor die de wereld rondom hem taxeerde en tekende – van kindsbeen af, lachte hij. Zijn stem was geboetseerd door de jaren, zijn geest was klaar, zijn herinneringen waren scherp.

‘J’avais douze ans au début…’

Na een zorgeloze jeugd brak de oorlog uit. Zo’n honderdduizend mensen vluchtten, vooral naar de Dordogne en Limoges. De Duitsers lijfden heel Elzas-Lotharingen in. De familie trok naar de Vogezen, daarop naar de Jura, en kwam terug langs Besançon. Geëvacueerden hadden recht op maar 25 kilo bagage, dieren werden achtergelaten en doolden door de straten. Grote groepen mensen kwamen na een tijd terug met de trein. En alles, maar dan ook alles was al gereorganiseerd, alle verenigingen en administraties, alle diensten stonden onder nazibevel. Jean vertelde het gedreven en toonde ons tussendoor enkele van zijn werken.

Jean Bastian toont een van zijn rijk geïllustreerde boeken

Het waren stuk voor stuk minutieus gedetailleerde pentekeningen met voornamelijk ludieke illustraties van lokale gezegden, van gebruiken en uitgestorven beroepen. Elke tekening had een Franse en een Duitse titel. In Straatsburg was eerst Elzas-Duits de voertaal, na de oorlogen werd dat telkens weer Frans.

‘Voici,’ zei hij, ‘der Gaslanterne Mann, ou l’Allumeur de Réverbères.’

Tekening van Jean Bastian: l’allumeur de réverbères – der Gaslaterne Mann

De man was bijna zo breed als hij groot was, Jean zag hem nog voor zich: de ‘allumeur’ doofde de straatlantarens tot aan de oorlog. Daarna gebruikten ze een zaklamp met een doekje voor het glas met een klein rond gaatje in – l‘oeuil de chat, noemde hij het. Fransgezinden werden uitgewezen en hun bezittingen onteigend. En de Duitsers paradeerden. Nationale monumenten werden gesloopt en vervangen door die van hen. Alle straten kregen opnieuw hun Germaanse naam. Het onderwijs werd ook Duits, kinderen mochten geen Frans leerboek hebben en op straat Frans spreken werd bestraft.

‘Et la synagoge, mon Dieu …’ De synagoge werd in 1940 in brand gestoken en in ‘41 gesloopt. Per wijk werd een verantwoordelijke aangesteld om alle huizen te controleren: elke inwoner moest aantonen dat hij geen Jood was. Joodse mensen maakten geen kans, al in de middeleeuwen vonden hier pogroms plaats. Het tijdstip waarop zij de stad via de Rue de Juifs of de Judengasse moesten verlaten, gaf een heraut aan met een hoornsignaal. Ter herinnering klonk nog altijd elke avond om tien uur de Jodenklok van de kathedraal.

Een houten figuurtje met een hoed op en een map in de hand trok onze aandacht. Daarnaast leunde een staf met kleurrijke lintjes onder de knop tegen een muur. Jean volgde onze blik.

Lees verder onder de foto

De staf van de tamboer-majoor en het houten beeldje met hoed op en map in de hand.

‘Le bâton vient d’un militaire, un tambour-maître.’ De stok was van een tamboer-majoor. Een soldaat. De stad had vele soldaten zien komen en gaan. Vanaf hun zestien werden Straatsburgers opgeëist door de Wehrmacht. Velen werden naar het Oostfront gestuurd. Ook Jean werd opgeroepen. Hij meldde zich ziek. Het duurde niet lang eer de militaire geneesheer kwam aankloppen. Moeder deed de deur open.

‘Frau Bastian, wass hat ihr Sohn?’ ‘Ich weiss es nicht, Herr Doktor, er hustet …’ Jean zag bleek en hoestte, hij was mager geworden, zijn blik stond dof. ‘… und er zittert.’ ‘Ich sehe es, ja.’ De jongen was er niet gerust op, maar met de steun van zijn ouders had hij zich ziek gemaakt: twee weken lang had hij niet gegeten, hadden zij hem het slapen belet, dronk hij continu koffie en rookte hij als een Turk. De arts stelde een longziekte vast, en zie: het spel was gespeeld, een euvele daad, meer noch minder! De opluchting tekende zich nog af op zijn gezicht terwijl hij het hele relaas deed. En dan kwam hij ook op dreef. Vertaald klonk dat zo: ‘De weerstand werd eerst snel neergeslagen. La Main noire – een groep jongeren tot 18 jaar bracht slogans aan op de muren en saboteerde post- en treinverkeer of gooide granaten in vitrines waar het Hitlerportret hing. Ze werden opgerold door de Sicherheitsdienst. Op 14 juli 1942 zag ik door mijn venster vier Franse tricolores aan de kathedraal wapperen, op le jour de la Fête nationale: die verzetsdaad blijft me voor altijd bij. Net als wat Paul Freiss uit Hangenbieten verderop deed: hij was chef de résistance, leefde in een boerderij en legde het slim aan. Hij ging op jacht en nam de moffen mee. Daarna schotelde hij hen drinkgelagen voor tot ze ladderzat waren en ontfutselde hen zo informatie.

Wij droegen ons steentje bij door Joodse mensen te helpen. Zij kwamen voordat ze vluchtten hun inboedel hier opslaan die we op onze zaak inschreven. Bij controles zeiden we de Duitsers dat ze van overlijdens kwamen. Na de oorlog gaven we de meubels terug aan die mensen. De bevrijding kwam dichterbij, maar eerst op 11 augustus, dan op 25 september ’44 bombardeerden de geallieerden de stad. Ik kwam juist van Neudorf. Met de fiets onder de arm dwaalde ik tussen de ruïnes. Toen ik de schade op de Place de la Cathédrale aan ons huis ontdekte, was ik in shock.

De verwoestingen op de Place de la Cathedr

We zijn bevrijd op 23 november door generaal Philippe Maréchal Leclercq, het was een zegen. De vrouw van een beenhouwer had een Franse vlag gemaakt met het bevrijdingsteken, een tankbestuurder beklom de kathedraal en bevestigde ze aan de spits. Pas na de oorlog voltooide ik mijn studies, na vier jaar bezetting moest ik opnieuw Frans leren schrijven.’

Daarna studeerde Jean kunstgeschiedenis en werd net als zijn vader antiekhandelaar en kunstenaar.

‘Regardez …’ Hij toonde ons nog de tekening van de ferrailleur, de schroothandelaar – waar de schroothandel passeert, is de antiquair nooit veraf…

Tekening van Jean Bastian: le ferrailleur – de schroothandelaar

… schonk ons een van zijn boeken,

… en wees opnieuw naar de staf. ‘Il date de 1800.’ Of we eigenlijk wisten waar die lintjes voor dienden? We schudden ontkennend. ‘Pour ses conquètes!’ Elk lintje aan de stok stond voor een liefje van de majoor. We telden er acht. ‘Ah, les soldats … à la guerre comme à la guerre!’ Een glimlach. Jean knikte, ging dan weer naar boven, met zijn tekeningen en zijn herinneringen.

Leentje met de staf van de tamboer-majoor en het houten figuurtje

Wij verlieten de zaak met zijn boek, een staf en een markant figuurtje rijker. Met een verhaal rijker ook, en zo eindigde dit stukje over Jean Bastian, antiquair en wonderbaarlijk tekenaar uit de Elzas. De volgende ochtend zouden we weer naar Nederland gaan.

Het boek Le Quartier Cathédrale van Jean Bastian
Jean met zijn vader in de tuin

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here