Boomklimmen

0
Sycamore tree. Platanus orientalis. Spotted plane tree trunk under sunlight. Bottom view. Park trees edition_9

Wat de toestand ook is bij publicatie – geruststellend, hopeloos, apocalyptisch -, we hebben een poos geleden besloten het op dat moment niet over COVID-19 te hebben. Het virus heeft ons voldoende lang gegijzeld. “Trop is te veel” en het leven heeft meer te bieden. Boomklimmen bijvoorbeeld. Niet dat u ons dagelijks in een boomkruin zal aantreffen, maar we zijn gefascineerd door de topatleten die voor de sport of het beroep, de begane grond achterlaten en via de natuurlijke weg van een boomstructuur, de hoogtemeters overwinnen. Onze prof filosofie had het voortdurend over het ‘verticalisme’ in de literatuur, de religie, het leven. De ‘Hemelvaart’ zal wel niet toevallig zijn. Opstijgen uit het aardse leven, zelfs naar een onbekende bestemming, symboliseert een zekere kracht en bevrijding. We leggen er het hoofd niet bij neer en we staan recht. Werden we te lang vastgelijmd in een horizontale positie? Liggen staat voor weerloosheid. Revolutionaire helden worden ook altijd afgebeeld, verheven boven al die anderen die zich vastklampen aan het rolmodel. Ook zij willen niets liever dan zich ‘verheffen’, tegen de stroom in. Hoogteverschil is in je voordeel: je overschouwt de omgeving en de eventuele tegenstanders, op wie je ook makkelijker kan inhakken. Men een gebalde opgestoken vuist ben je nog groter … Een karakterloze slappeling blijft beneden; een idealistische vechter staat op. Is het toevallig dat onze kinderen altijd op muurtjes en zandhopen willen klimmen, of in het spinnenweb in de speeltuin? Denken we ook aan de trappen en de ladders die de lagen van onze maatschappij weergeven. De volle grond en zelfs de onderste trap of spijl is niet benijdenswaardig. We ‘kijken op’ naar mensen aan de top, zeker naar diegenen die met bloed, zweet en tranen zijn opgeklommen. Recht de rug. Met futloosheid geraak je niet hoger. Een handvat voor de opvoeding die wij trachten te geven aan onze kinderen.

Of onze prof filosofie aan boomklimmers dacht tijdens zijn colleges, durven we te betwijfelen. Boomklimmers zelf hebben wellicht ook geen besef van het verticalistische heldendom dat hen drijft. Ik heb er zo een gekend, de broer van de trainer van Westerlo, een reus in alle dimensies, die in een oogwenk tien meter boven het gazon op een tak zat, nadat ik hem had uitgenodigd de dreiging van een torenhoge boom te bezweren. Zijn bewegingen waren vergelijkbaar met die van een aap en een kat tegelijk. Ik kneep mijn ogen dicht, toen hij ook de motor van een minikettingzaag startte en hij -hangend- een massieve tak te lijf ging. Die plofte, samen met een vlaag zaagsel en herfstbladeren naast me neer. Dergelijk spektakel kunt u ook meemaken op kampioenschappen boomklimmen, waaraan telkens een 50-tal boomverzorgers deelnemen. Centraal staat een masterboom, meestal een oude plataan met uitgegroeide zijtakken en een open kruin. Er zijn enkele disciplines: klimmen met en zonder touwen, een parcours afleggen in de boom, een gewonde uit een boom halen. Ze zijn verzekerd, werken met gekeurd materiaal en vrouwelijke deelnemers blinken uit door hun afwezigheid. “Dit is topsport”, horen wij een organisator zeggen. “Je moet snel zijn en inzicht hebben in de boom. Heb je die talenten, dan gaat het vanzelf en is het ook veilig.”

De achterkant van de medaille is voorspelbaar. Ik herinner me dat de vader van mijn boomklimmer tijdens zijn werk is neergestort. Wie hoog klimt, kan laag vallen. Ook dat is verticalisme.

Marc van Riel

“Als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen.” (Anoniem)

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here