Amelanchier

0

‘Misschien’, had de mandalist hem gezegd, ‘misschien moet je toch maar weer gaan vertellen over de tuin. Het was op de eerste zaterdag van de zomer, toen de tuinman de vuurplaats van Sint-Jan bedekte met wat nieuwe aarde, met nieuw zaad en water, zodat de wond in het veld zich zou herstellen. Er zou weer gras gaan groeien. Gras dat hij opnieuw zou maaien en zou maaien, tot de tijd van het bladblazen begon.

Maar vandaag was hij vol verwondering en hield hij halt bij een Amelanchier, het krentenboompje. De vruchten doen aan krenten denken, vandaar de naam. Ze waren eetbaar, maar niet echt smakelijk en in grote hoeveelheden, dacht hij zich nog te herinneren van de lessen op school, kon je er hoofdpijn van krijgen.

Dit specifieke boompje was ietwat gehavend, zogezegd gebogen. Krom geraakt, waarschijnlijk door een vallende tak van een naburige pijnboom. ‘Maar wat is nu precies de verwondering?’, zal de ongedurige lezer zich inmiddels afvragen. Het waren de nieuwe zijtakken, de nieuwe loten, die in de kromming rechtopstaand hun weg naar het licht zochten. Even leek het hem alsof de zon had geroepen, ‘Okay, je top heeft moeten buigen, maar zoek dan een andere weg. Dus kom, kom naar het licht.’ En even, in dat moment van verwondering, zag hij dat alle planten gingen naar het licht, van de kleine madelief in het pas gemaaide gras tot de kastanje die zijn takken liet dansen in de gaten van licht.

Amelanchier. ‘Ja, Amelanchier’, bedacht de tuinman zich, ‘als ik plant zou zijn. Een plant met een naam, ja dan zou ik Amelanchier willen heten. Het klinkt wel stoer, maar ook fragiel. Het klinkt ook oud, welhaast prehistorisch, nog van voor de mensen, nog van voordat een meteoriet de wereld deed beven en de dinosauriërs deed verdwijnen. ‘Hé jij daar, voorbijganger’, zou ik dan roepen, ‘hier ben ik. Zie mij staan. Ik ben Amelanchier. Ik buig wel, maar ik richt mij ook altijd weer op. Ik was er al toen jij nog niet voorbijkwam en ik zal er nog zijn als jij weer voorbij bent. ‘Want’, zou ik dan willen roepen, nee, willen fluisteren, ‘want ik ben Amelanchier’’.

Zijn eerste herinnering aan A. was in de schooltuin. Nee, het was niet het boompje, maar meer het meisje. Toen zij de planten leerde kennen, dan was hij per ongeluk altijd precies op de plek waar zij ook was. ‘Mooi hé?’, zei hij dan schuchter. Ze heette Juut. ‘Verdomd’, dacht hij nu, ‘ik heb er al eerder over geschreven’. Ze was betoverend. Op een avond kwam zij op bezoek. Ze bracht bloemetjes mee. Het moet vroeg in het voorjaar geweest zijn. Ze waren roze wit, met een vleugje bruin. Vanaf toen was dat de kleur van liefde, roze wit met een vleugje bruin. Amelanchier, hij was 17, zoals in ‘At seventeen’, het liedje van Janis Ian, op de plaat die hij van Judith had gekregen.

Amelanchier. Een eindje verderop stond er nog een, in de tuin van de oude Cluse. Hij kon het zich nog herinneren, maar was het ook weer vergeten. Tot hij er ineens weer was, zagend, ploeterend en zwetend, want ook hier waren de rododendrons gaan woekeren, gaan overwoekeren. Toen wist hij het weer en sprak hij haar liefdevol toe. ‘Ah, je bent er nog, en bijna ongeschonden.’ Gek hé, hij sprak met de planten, net zoals anderen met hun hond of poes praten.

Tien jaar geleden was hij hier ook. Het krentenboompje stond toen nog vrij, de rododendrons waren nog ver weg. Wel was er toen een lijsterbes, er waren er veel in dit deel van het bos, die het krentenboompje leek te verdringen. De tuinman wist niet zeker of de twee goed accordeerden met elkaar, dus besloot hij de lijsterbes af te zagen. Toen hij dat deed, vroeg hij de lijsterbes om terug te gaan naar zijn familie, wijzend naar een groepje lijsterbessen een eindje verderop, om zo het krentenboompje ‘vrij te zetten’.

‘Hardnekkig? Maar weer opnieuw proberen’, dacht hij nu toen hij zag dat de lijsterbes weer was uitgeschoten, maar nu met drie stammetjes die boven de krent uit toornden. Dus opnieuw vragen en opnieuw zagen. Het is zoals met de meeste dingen in het leven, steeds opnieuw, steeds opnieuw, tot … ‘Ja, tot wat?’, zei hij lachend om zijn kleine gepruts in het grote bos, want hij wist dat alles er al was en dat ‘steeds opnieuw’ het ware ‘zijn’ van de evolutie is.

Nu droomde hij van de Cluse, van de nonnen die er woonden in retraite, van de kinderen die er groot werden, van de werkplaats die het was, van de oude barakken, van de sloop en de leegte, de open lucht en het heldere licht. En van de tuin, de tuin die er was, van de tuin die er is. Maar vooral, hij droomde vooral van de tuin die zou komen, van Amelanchier en zijn vrienden, lijsterbes en hazelaar.

En dat, maar nu werd het pas echt dromen … dat er op een dag in het nieuwe zorghuis, vroeg in het voorjaar, het liefste in het ochtendlicht, dat er dan iemand was die ze zag en er even blij van werd als hij toentertijd, blij van de bloemen van Judith. En dat het dan leek alsof Amelanchier terugsprak: ‘Ik zie je wel. Je buigt en je buigt, maar je richt je ook altijd weer op. Je richt je ook altijd weer op. Want die lieve mens is de kracht van zon, van aarde, lucht en water.’

ronaldvanbreemen@live.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here