Afscheid (Het laatste verhaal)

0
OLYMPUS DIGITAL CAMERA

‘When you follow the crowd you lose yourself, but

when you follow your soul you will lose the crowd.

Eventually your soultribe will appear, but do not fear

the process of solitude.’

‘Unknown’, stond eronder. Hij had het, alweer enkele weken geleden, overgeschreven, keurig in zijn schrijfblok. Het liet hem niet meer los. Inmiddels was het een gebed geworden, een mantra. Tijdens het douchen, op de fiets, achter de grasmaaier, in het bos, in de tuin, maar vooral in de ochtend tijdens net-wakker-zijn in de langzame tijd van staren met de stille berk voor zijn huis als getuige. ‘Wees niet bang’, leek de berk hem dan te zeggen.

Soms was er muziek bij, in zijn hoofd, maar ook wel in het echt, gewoon uit de luidsprekers. Purcell, maar ‘Exit-song’ van Radiohead kon ook. Of Dylan, natuurlijk Dylan kon ook …’It’s a slow train coming … it’s a slow train coming.’

Het was donderdag, de laatste van augustus, dat het besluit viel. Hij nám het niet, het viel echt, zoals de eikel van een boom. ‘Nu alleen nog opschrijven’, bedacht hij zich bij het opstaan en ongewassen, nog ongeschoren (dat kon immers ook straks) ging hij achter zijn laptop zitten, want hij zou gaan schrijven dat hij ging stoppen met schrijven. Niemand wist het al, behalve zijn vrouw dan die toevallig belde. Ongebruikelijk, want normaal bellen zij ’s avonds. ‘Ik was in slaap gevallen. Ga je niet naar de tuin?’ ‘Nee, ik ben aan het schrijven. Ik ga schrijven dat ik ga stoppen met schrijven. Het is genoeg.’ ‘Ach’, zei zij lachend (want niemand kende zijn vertwijfeling beter dan zij), ‘lijkt me goed hoor. Je kunt tenslotte altijd weer opnieuw beginnen, want niets is definitief.’

‘Oké’, had de rabbi, in een verhaal van Potok, tegen zijn zoon gezegd, ‘oké, als jouw plek niet hier is, maar in de wereld. Ga dan maar weg, maar als je ooit terug wilt komen, weet dan dat je welkom bent en als die weg terug dan te moeilijk voor je is, bel me dan, want dan, dan kom ik je tegemoet.’

Het zijn van die schijnbaar kleine zaken die vertrek, afscheid geruststellend kunnen maken. Weten dat het niet definitief hoeft te zijn, want immers niets is definitief. Je kunt altijd nog op je schreden terugkeren.

Naast hem lag het stapeltje boeken dat hij aan het lezen was, en hem meer in beslag nam dan zijn eigen schrijven. Lezen. Zo nu en dan een hoofdstuk. ‘Return of the bird tribes’ van Ken Carey. Dat las hij langzaam, want hij las het in het Engels (er was nog geen vertaling). Planten waarnemen. Over de invloed van elementwezens op het leven van de planten, een boek van de fenomenologisch natuurkundige ir. R. van Romunde, ook dat las hij langzaam, het ging tenslotte over onzichtbare wezens, over gnomen, nimfen en elfen.

‘Ja, langzaam’, riep de tuinman enthousiast en nog eens, maar nu langzaam, ‘langzaam’, want planten zijn langzaam en tuinen zijn langzaam. De tuinman is langzaam. Tuinieren is vooral veel kijken. Langzaam kijken. Tuinieren is vooral goed luisteren. Langzaam luisteren. Het lijkt op niets doen, maar dat is het niet. Het is aftasten, afstemmen, aandachtig zijn, verbinden, zoeken naar de juiste verhouding tot en dat keer op keer, keer op keer.

Tot slot was er nog een derde boek dat hij aan het lezen was. Het was een boek over melancholie met als ondertitel ‘Herontdekking van een vrouwelijk gevoel’. Het ging over vrouwen. Het was mooi geschreven en het ging niet alleen over melancholie, het was ook melancholie. Het was zoals Nina Simone de blues zong, of Sandy Denny haar folk. Het was zoals de woestijnen en bloemen van Georgia O’Keef waren geschilderd. Het was van eenzelfde soort poëzie als het dichtwerk van Ida Gerhard. Hij zou het in de oorspronkelijke taal moeten lezen ‘Die Melancholie ist eine Frau’. Ja dat was wat in tijden van ‘Happinez’ en antidepressiva. Onverkoopbaar, had zijn boekenvriend hem verteld. Voor een euro mag je het hebben.

Nu leek het alsof wat hijzelf schreef van geen belang was. Er was zoveel wat hij niet wist. Zoveel van wat het enorme brein van alle mensen samen was. Hij had het gevoelen dat hij zich, zoals hem al eerder was gebeurd, begon te verliezen in taal, in woorden. Natuurlijk, hij hield van taal, hij hield van woorden, maar nu begon hij zich te herhalen en dacht hij dat de mensen zijn trucje wel door hadden. Ach nee, het was voor hemzelf een trucje geworden. Het was niet leuk meer. De schrijver moest maar even stil zijn en wat nog met de mandalist. Hij had al een tijd, een te lange tijd, geen mandala meer gemaakt. Hij wilde weer sorteren, knippen en plakken, het beeld weervinden. Tot slot dan, nog een klein sprookje.

‘Er waren poppen in het huis van de mandalist. Een plank vol, een soort weeshuis, want ooit waren zij van kinderen geweest en hadden gespeeld, gedanst en gezongen. Op een nacht, maar dat is het sprookje, was er een kleine pop, een beetje de schlemiel van het stel met slechts een gehavend rompertje, die op de rug van de schildpad was gaan zitten, de schildpad, de zwijgzame bewaarder van tijd. ‘Zullen we gaan?’, vroeg de pop. ‘Maar waarnaartoe?’, vroeg de schildpad. ‘Maakt niet uit. Eerst maar naar rechts en als het daar niet is? Nou, dan gaan we naar links’.

‘Weet je’, zei het poppetje toen zij even onderweg waren en zich wel een beetje alleen begonnen te voelen, ‘weet je, ik heb gehoord van de terugkeer, de terugkeer van de vogelstam. Het heeft iets met de Grote Geest te maken.’ ‘Oh ja’, zei de schildpad, ‘oh ja.’ Verder bleef hij stil en traag. Stil en traag. Stil.

ronaldvanbreemen@live.nl

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here