Adi en Sara, twee zusjes uit Retranchement

0
Adi en Sara, twee zusjes uit Retranchement

Korenbloemblauw 12

Met hen sluiten we dit Zeeuwse luik af. Zeeland zal altijd een aparte plaats in ons hart innemen. De eminente Ko Dey vertelde ons vroeger dat hij naast een Duits gevangenenkamp in Vlissingen woonde, Kees Schinkel hoe hij in Souburg na het breken van de dijken op een vlot zijn huis binnenvoer, Piet Alderlieste hoe hij jaren doorbracht in een Jappenkamp. Niet iedereen echter en waar dan ook, vertelde even graag over de oorlog, wonden konden diep zitten. We hadden telkens een dictafoon bij ons, sommigen vonden dat geen probleem, anderen vroegen om het toestel niet te gebruiken, weer anderen zegden: ‘Zet dat af’, waarna ze iets belangrijks vertelden.

‘Mensen uit Breskens, Schoondijke en Oostburg vertellen liever niet over de oorlog,’ zei de dominee, ‘bij de Bevrijding zijn daar in korte tijd veel burgerslachtoffers gemaakt en werd er veel verwoesting aangericht. Daarna sprak men liever niet over de drama’s, ze werden eigenlijk letterlijk doodgezwegen onder het motto “doorgaan!”

Van slachtofferhulp en traumaverwerking had men nog geen kaas gegeten. Als dominee kan ik ze soms zover krijgen dat ze mij iets vertellen, maar bij ‘vreemden’ zullen ze eerder zwijgen. Ik heb wel twee zusjes voor jullie. Twee zusjes uit Retranchement. Ze waren nog kind destijds, een Duitse soldaat las hen sprookjes voor.’

Enkele dagen later klopten we samen met haar bij hen aan. ‘Adi,’ stelde een rijzige dame met kort donker haar zich voor. Ze wuifde ons naar binnen, waarop de dominee goeiedag knikte en zich weer naar haar kerk begaf. Adi leidde ons naar haar terras, zus Sara zat in een tuinstoel en gebaarde erbij te komen zitten.

Adi en Sara van Dale heten ze, ze zijn familie van de auteur van het grote woordenboek. Mooi, dacht ik, en hun vriendelijke, ietwat mysterieuze blik paste in sferen van wijsheid rond kastelen van Grimm en Andersen, al zouden we het niet alleen over sprookjes hebben, ook over de harde realiteit van de oorlog. Sara was vijf toen die uitbrak. ‘Vader was bij de Marine in Vlissingen. Moeder geraakte in paniek. Ik zat met mijn kleine zusje bij haar. Het was oorlog. Vader vernam dat de veerboot naar Breskens voor de laatste keer zou uitvaren. Hij heeft die boot halsoverkop genomen. In Breskens leende hij een fiets, en zo is hij ’s avonds thuis aangekomen.’ ‘We waren heel erg blij,’ zei Adi, ‘zijn schip voer zonder hem uit naar Engeland en werd onderweg getorpedeerd. Niemand aan boord heeft het overleefd. Hij heeft veel geluk gehad.

In het begin van de oorlog namen onze ouders ons met de tram mee naar Sluis. Op een dag is die beschoten, bij de Sluisse Veer. Een vrouw kwam om. Mijn oom werkte voor de trammaatschappij. Hij moest de wagon schoonmaken en nam me mee. Het rijtuig hing vol bloed. Waarom moest ik mee? Ik was een kind …’

‘De onrust woog, in Sluis lieten we een gezinsfoto maken. Onze ouders wilden zoals vele anderen zo’n foto, omdat ze bang waren dat er iets zou gebeuren met het gezin, dan hadden ze de foto nog.’

Lees verder onder de foto

De gezinsfoto van de familie van Dale aan het begin van de oorlog

‘De onrust woog’, zei Sara, ‘in Sluis lieten we een gezinsfoto maken. Onze ouders wilden zoals vele anderen zo’n foto, omdat ze bang waren dat er iets zou gebeuren met het gezin, dan hadden ze de foto nog. En we droegen rond onze hals een kaartje van het Rode Kruis met onze naam en een stempel op als herkenning, mocht er iets misgaan.

De gezamenlijke buren bouwden tegen de wallen een schuilkelder van gevlochten takjes en stro en zand. Er konden krap twintig mensen in, je moest een hele nacht staan. Later hadden we een andere schuilkelder aan de overkant van de wallen, maar je had er helemaal geen bescherming. En al was ze niet bang van aard, moeder panikeerde toen de oorlog uitbrak. Van de schuilkelder liep ze soms naar huis om de was te doen of zo. Wij bleven dan op de boerderij met vader, hij was wel bang. De Engelsen vlogen ’s nachts over naar Duitsland. Het gebrom was akelig, meestal kwamen ze laag over, en dat met velen. Later kwamen ze terug. Op een dag vluchtten we naar Cadzand omdat men ons dorp zou beschieten. Onderweg moesten we nog in de sloot schuilen, vliegtuigen namen de omgeving onder vuur. We kwamen terecht bij het gezin Steenhart, in een keldertje. Vader kon er niet meer bij, zo klein was dat. Hij zat in de kelder van een boerderij verderop. Moeder lag over ons twee om ons te beschermen en wij kinderen, waren zo bang,’ wist Sara, Adi knikte bevestigend.

Lees verder onder de foto

Hotel Noordzee in Cadzand met daarop de door de Duitsers gebouwde uitkijktoren

‘De Duitsers eisten hotel Noordzee op, waar een uitkijktoren op werd gebouwd. Naar Cadzand gaan was geen goed idee geweest, Retranchement was niet eens beschoten. Daags daarop gingen we terug naar huis. Dat deden veel mensen: van het een naar het ander vluchten.’

Midden in de oorlog liet een vliegtuig zijn bom achter het kerkhof in Retranchement vallen. Hun huis stond vlakbij. De ruiten sprongen kapot. Het was nacht en de meisjes sliepen in de achterkamer tussen hun ouders, maar ze waren als de dood. Van voor hun deur zagen ze op 11 september de rookwolken boven Breskens hangen. Er vielen ongeveer zestig burgerslachtoffers. Grootmoeder woonde naast de fabriek van Van Melle toffee, toffeepapiertjes vlogen tot bij hen. Moeder fietste naar Breskens om te weten hoe het met grootmoeder was. Onderweg vlogen de granaten om haar heen. Achteraf bleek dat de familie naar het Rode Kruisdorp in Groede was gevlucht. Twee nichtjes, een broer en twee tantes van hun moeder kwamen om bij het bombardement.

‘Bij ons kwam altijd een Duitser, Fritz,’ vertelde Adi, ‘waar ik nu woon stond vroeger de schuur van vader. Die moest hij afstaan als fietsenstalling voor de Duitsers. Moeder moest hun sokken wassen.

Lees verder onder de afbeelding

Fritz vertelde het sprookje van Aschenputtel, zoals hij Assepoester noemde.
Dat vonden Adi en Sara destijds heel grappig

‘Ich erzähle Dir ein Märchen.’ ‘Een sprookje? Roodkapje?’ ‘Nein.’ ‘De wolf en …’ ‘Der Wolf und die sieben jungen Geißlein, Nein. Aschenputtel, kennst du das?’ ‘Assepoester …’ ‘Gut. Einem reichen Manne dem wurde seine Frau krank, und als ihr Ende herankam, rief sie ihr einziges Töchterlein zu sich und sprach: "Liebes Kind, bleibe fromm und gut, so wird dir der liebe Gott immer beistehen, und ich will vom Himmel auf dich herabblicken, und will um dich sein …’

Lees verder onder de foto

Adi en Sara met Fritz, de Duitse soldaat die hen sprookjes voorlas

Sara moet er nog om lachen: ‘Fritz toonde ons zijn ziel en vertelde ons sprookjes voor het slapengaan. Assepoester sprak hij heel raar uit: Assepeutel. En dan moesten we iedere keer heel, heel hard lachen.’

Lees verder onder de foto

De familie van Dale met Fritz

‘Wanneer Fritz terugkwam van verlof in Duitsland, had hij koekjes bij zich van thuis. En eieren met Pasen. Fritz Bangerth heette hij, hij was getrouwd en had kinderen van onze leeftijd. Hij was gewoon heel lief. Na de oorlog is hij als krijgsgevangene naar Engeland gevoerd. Hij schreef vandaaruit nog briefjes naar onze ouders. Hij voelde ons zo goed aan!’ ‘Veel later, toen ik op terugreis was van Italië naar Nederland,’ zei Adi, ‘ kwam ik langs zijn woonplaats in Duitsland, Mühlhausenin de Pfalz. Op goed geluk zijn we gaan kijken of hij daar nog woonde. En jawel: de eerste man die ik daar in het dorpje zag wandelen, herkende ik! Ik noemde zijn naam en hij keek zo verbijsterd. Maar we zijn daar goed ontvangen. Hij was burgemeester, zijn vrouw bakte drie taarten. Volgens hem was ik de drukste van de twee zusjes. Later hebben hij en zijn vrouw ons een bezoek gebracht in Retranchement.’

‘In De Breydelhoeve woonde de familie Leenhouts. De Duitsers bij hen noemden ze het paardenvolk, omdat zij de paarden moesten verzorgen. Ik ging daar vaak alleen naartoe, en zong mee met de soldaten. Bij Leenhouts sliepen we bij kaarslicht in de kelder op stro, zonder ventilatie, onder een rek, de groten lagen er bovenop. Het stro prikte er doorheen, dat was vreselijk, we kregen het op onze ogen.’

Schuin tegenover hun huis bevonden zich Marokkanen in een lokaal. Volgens de zusjes waren ze gevangenen. Ze vonden de mannen met hun bizarre rode fez en hun lang wit gewaad wonderlijk. Regelmatig zagen ze hen bidden, allen op een rij, met hun rug naar hen toe, allemaal dezelfde kant op. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Geen mens wist wat daarna met die mensen gebeurd is. Ze waren ineens weg. Ze maakten deel uit van de 70.000 soldaten die Marokko als steun aan Frankrijk de oorlog in had gestuurd, iets wat te weinig geweten is.

Op het laatst konden de zusjes van Dale ook niet meer naar school in Retranchement, die was bezet, ze kregen les in het Vrij Evangelische kerkje. ‘Meester Hennekey was de hoofdmeester,’ zei Sara, ‘er was ook nog een juffrouw, maar ik weet niet meer hoe ze heette.’ ‘Risseeuw,’ antwoordde ik, ‘Cornelia Risseeuw.’ Ze keek me verrast aan. ‘Hun verhaal staat in mijn boek ‘Gaan jullie ons nu doodschieten?’, uitgegeven bij Lannoo. De meester verbleef bij haar om te schuilen.’ Dat ik de naam van de lerares kende van iemand in Cadzand die ik daarvoor nooit had ontmoet, liet haar fronsen. Hoe klein lijkt de wereld soms ook, hoe wonderlijk.

Adi vertelde verder: ‘Op een nacht in oktober ‘44 kwamen de Canadezen de kelder bij Leenhouts binnen. Daar zaten ook enkele Duitse soldaten. Die gaven zich meteen over, ze waren gewoon blij dat het voorbij was. Naderhand dachten we: ze hadden ons uit wraak kunnen doodschieten, het bleef ons nog bij toen we in november vanaf de Wallen in Retranchement zagen hoe Walcheren werd gebombardeerd.’

Na de oorlog konden ze eten halen op school, en werd hun haar bespoten met DDT, ze moesten de handen voor hun gelaat houden. Hun haar zag dan heel wit.

Lees verder onder de foto

De veerboot naar Vlissingen

En met het veer ‘De Dordrecht’ voeren ze naar Vlissingen. Van daar tot Middelburg stond alles nog onder water. Moeder kocht een nieuwe mantel voor hen, in van die visgraten stof, een beetje grijs, een beetje Engels, ze kregen ook een mooie overgooier van een oom en tante uit Amerika. Een rode en groene ribfluwelen overgooier. Dat had niemand. Zoals niemand daar een Duits soldaat had gekend die sprookjes vertelde en die vele jaren later in een dorp ver van hen burgemeester zou worden. Een sprookje op zich.

Adi en Sara van Dale ten tijde van hun gesprek met Roland en Leentje

Geen posts om weer te geven

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here